Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:23766
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,080 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36869 (beroep) en NL24.36870 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Deniz).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 7 september 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 september 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1983. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt in april 2024 te zijn afgeperst en bedreigd door iemand – bij eiser bekend als [naam] – die lid zou zijn van een Colombiaanse paramilitaire groepering. Eiser heeft geweigerd geld te geven en heeft daarna niks meer [naam] gehoord. Eiser stelt verder in augustus 2024 te zijn bedreigd met de dood door een andere persoon – bij eiser bekend als [bijnaam] – die ook zou behoren tot een Colombiaanse paramilitaire groepering en eiser heeft bedreigd vanwege zijn werk als reparateur van watervoertuigmotoren. Eiser kreeg van [bijnaam] , na een paar onder dwang verrichte klussen aan watervoertuigen, te horen dat hij nu werkt voor de paramilitairen. Hierna is eiser naar huis gegaan en drie dagen later naar [plaats] gegaan. Vanuit daar is eiser naar Nederland gevlucht.
3.1.
Eiser heeft bij zijn aanvraag verschillende documenten overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen, waaronder referenties naar aangiftes die hij heeft gedaan bij de Colombiaanse autoriteiten vanwege de bedreigingen, een verklaring van Unidad de Victimas dat eiser in 2005 ontheemd is geraakt door paramilitairen en een uittreksel over de stand van zaken bij een door eiser gedane aangifte.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (het eerste asielmotief); en
eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden (het tweede asielmotief).
4.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Maar verweerder vindt eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen op dit punt niet (volledig) met objectieve documenten onderbouwd, heeft onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Dat eiser uit Colombia komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eisers verklaringen zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig met beschikbare landinformatie.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser heeft in beroep een aangifte van 11 mei 2024 overlegd over wat hem is overkomen op 10 mei 2024 en een document waaruit volgens hem volgt dat hij wordt bedreigd door de Colombiaanse paramilitaire groepering Autodefensas Gaitanistas de Colombia (AGC). Met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen voert eiser aan dat hij vanwege zijn veiligheid pas in Nederland zijn tweede aangifte heeft gedaan. Verweerder verwacht ten onrechte van eiser dat hij in Colombia en in persoon aangifte moet doen. Verder is de omstandigheid dat eiser parate kennis moet hebben van paramilitaire groeperingen niet terug te vinden in beleid, heeft hij wel voldoende verklaard over de paramilitaire groeperingen en is met de door eiser gegeven informatie in het nader gehoor aannemelijk dat hij verwees naar de paramilitaire groepering Clan del Golfo. Bij het door verweerder ongeloofwaardig achten dat eiser gedwongen werkzaamheden moest verrichten heeft verweerder niet betrokken dat eiser een van de weinige personen is met kennis van watervoertuigen, dat de groepering die hem bedreigt gebruik maakt van boten en ponden en dat het daardoor aannemelijk is dat ze daarom specifiek eiser benaderd hebben.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
8. In artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is ter implementatie van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaald dat indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig worden geacht en de vreemdeling het voordeel van de twijfel wordt gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;
b. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;
c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;
d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en
e. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Mocht verweerder vinden dat het tweede asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd?
9. Verweerder mocht zich allereerst op het standpunt stellen dat eiser zijn verklaringen niet kan onderbouwen met de door hem bij zijn aanvraag overgelegde documenten, nu die stukken geen originelen betreffen en de naam van eiser hierin niet wordt vermeld. Voor zover eiser stelt dat hij zijn verklaringen met de bij het beroep overgelegde documenten voldoende heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank dat verweerder eiser hierin niet heeft hoeven volgen. Verweerder heeft bij dit oordeel mogen betrekken dat ook dit geen originele documenten zijn. Verder kan verweerder worden gevolgd dat aan deze stukken ook overigens niet de betekenis toekomt die eiser graag ziet. Daartoe is het volgende van belang. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat uit de vermeende brief van de AGC niet volgt op welke datum dit is opgesteld. Ook is niet duidelijk door wie het document is opgesteld en mist er een handtekening. Ten aanzien van de overlegde aangifte heeft verweerder ter zitting gesteld dat de daarin genoemde gegevens tegenstrijdig zijn met eisers verklaringen in het nader gehoor. Zo staat in de aangifte dat de aangever een vrouw is, terwijl eiser een man is. Verder volgt uit de aangifte dat er van eiser 1.500.000 peso’s geëist wordt, terwijl eiser in het nader gehoor een bedrag van 500.000 peso’s noemde. Daarnaast staat in de aangifte een andere datum vermeldt dan in het nader gehoor. In het nader gehoor noemt eiser verder dat hij bedreigd werd door iemand die zich voorstelde met de alias [naam] . Deze naam wordt in de overgelegde aangifte niet genoemd. Verder missen op de aangifte de handtekeningen van de aangever en een ambtenaar van de autoriteit bij wie de aangifte is binnengekomen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overlegde documenten niet authentiek zijn. Verweerder mocht dus vinden dat het tweede asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd.
9.1.
Nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn verklaringen niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd, heeft verweerder terecht getoetst of eiser desondanks het voordeel van de twijfel kan worden gegund.
Conclusie
13. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
Verslag nader gehoor, p. 7.
Verslag nader gehoor, p. 7.
Verslag nader gehoor, p. 15.
Beoordeling
In dat kader heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn problemen met de paramilitaire groeperingen beoordeeld.
Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig achten?
10. Verweerder heeft – zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw – beoordeeld of eiser alle relevante elementen waarover hij beschikt, heeft overgelegd, en of hij bij het ontbreken daarvan een goede verklaring heeft gegeven. Verweerder mocht zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat niet aan dit vereiste is voldaan. Verweerder mocht daarbij onder meer betrekken dat eiser geen van de originele aangiftes aan verweerder heeft overlegd. Dat eiser in beroep wel onder meer een kopie van een aangifte heeft overgelegd maakt dit – gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 9 heeft overwogen – niet anders, nu aan de in beroep overgelegde documenten niet de betekenis toekomt die eiser daaraan toekent.
11. Verweerder heeft – gelet op artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – ook beoordeeld of eisers verklaringen over zijn problemen samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag. Verweerder mocht hierbij tot de conclusie komen dat ook aan dit vereiste niet is voldaan. Daartoe heeft verweerder de volgende omstandigheden van belang mogen achten.
11.1.
Volgens verweerder valt allereerst niet in te zien waarom eiser naar Nederland moet reizen om de tweede aangifte te kunnen indienen, nu eiser zelf heeft verklaard dat een aangifte ook online kan worden ingediend en eiser dit voor zijn eerste aangifte ook heeft gedaan. Daarmee wordt, anders dan eiser stelt, niet van eiser verwacht dat hij in Colombia in persoon aangifte moet doen en dan pas naar Nederland te vluchten. Eiser had zijn aangifte namelijk ook online kunnen indienen toen hij nog in Colombia was.
11.2.
Verder betrekt verweerder bij haar oordeel dat de verklaringen over wie er verantwoordelijk is voor de bedreigingen vaag, tegenstrijdig en bevreemdend zijn, onder meer omdat eiser in eerste instantie niet stelt te weten waar de letters AUC (volledig: Autodefensas Unidas de Colombia) voor staan en welke groepering er in zijn woongebied opereert. Van eiser mag – gelet op zijn referentiekader en het feit dat hij zelf stelt eerder te zijn ontheemd door paramilitaire groeperingen – worden verwacht dat hij parate kennis heeft over zulke zaken. Dat dit niet voortvloeit uit beleid maakt dit niet anders. Dat het in Colombia niet gebruikelijk is de namen van de groeperingen te weten en/of te noemen en men normaliter alleen ‘paramilitaire groeperingen’ noemt, volgt de rechtbank niet. Immers, eiser heeft later in het gehoor gesteld dat hij de eerste bedreiging van een lid van de AUC heeft ontvangen en noemt dan wel de groepering bij zijn specifieke naam. Dat eiser met zijn verklaringen doelde op de Clan del Golfo en dat de AUC en de Clan de Golfo synoniemen zijn, volgt de rechtbank niet. Verweerder stelt dat de Clan del Golfo en de AGC synoniemen zijn van elkaar, maar dat geldt niet voor de AUC waar verweerder er in het nader gehoor over heeft gehad. Bovendien heeft eiser geen goede verklaring gegeven over waarom hij nu spreekt over de AGC, terwijl hij het in het gehoor steeds over de AUC heeft gehad.
11.3.
Tot slot mocht verweerder bij zijn oordeel betrekken dat het geschetste verloop van de gebeurtenissen tegenstrijdig en bevreemdend is. Voor zover eiser stelt dat verweerder niet heeft betrokken dat voor het werk specifieke kennis vereist is, eiser een van de weinigen is die dit kan doen en dat het daarom aannemelijk is dat de paramilitaire groepering – omdat zij gebruik maken van boten en ponden – eiser heeft benaderd, hoefde dit verweerder niet tot een ander oordeel te leiden. Niet is onderbouwd dat eiser een van de weinigen is in zijn herkomstgebied die kennis heeft om met watervoertuigen te werken.
12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn problemen vanwege zijn werkzaamheden niet geloofwaardig kunnen achten.