Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:23744
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,581 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.34361 (beroep) en NL24.34362 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: drs. M.F. Aly).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 13 augustus 2024 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 augustus 2024 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen de heer M. El Majdoubi.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
De eerdere asielprocedure
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft op 11 mei 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 27 juni 2023 is deze aanvraag afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft het beroep hiertegen op 13 december 2023 ongegrond verklaard en eiser is daartegen niet in hoger beroep gegaan. Daarmee is de afwijzing van eisers eerdere asielaanvraag onherroepelijk geworden.
De huidige asielprocedure
4. Bij eisers opvolgende en huidige aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft hij geen nieuwe elementen of bevindingen aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft eisers huidige asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste is het bestreden besluit genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Deze was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bevoegd om dit besluit te nemen; de minister van Asiel en Migratie had dit besluit moeten nemen. Ten tweede heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord bij het opleggen van het inreisverbod. Ten derde is niet gebleken dat verweerder het opleggen van het inreisverbod heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM, waardoor verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 5 van de Terugkeerichtlijn en artikel 3 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk kon verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
8. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Is het bestreden besluit onbevoegd genomen?
9. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007, van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overweegt namelijk dat eiser door dit gebrek niet in zijn belangen geschaad is. Dat dit anders is, is door eiser onvoldoende gemotiveerd toegelicht. De enkele stelling dat eiser in zijn belangen is geschaad omdat het besluit onbevoegd is genomen volstaat niet.
Had verweerder eiser moeten horen voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod?
10. Het beleid dat geldt voor het voorbereiden van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod. Uit dat beleid volgt dat verweerder – bij het voorbereiden van een besluit tot ongewenstverklaring – uitvoering geeft aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb, onder meer wanneer de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat in het voornemen van 23 augustus 2024 aan eiser de mogelijkheid is geboden om via een zienswijze te reageren op het inreisverbod. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt en in zijn zienswijze toegelicht dat hij in Spanje een procedure is gestart om aldaar een woonvergunning te krijgen, dat daardoor er geen inreisverbod aan hem kan worden opgelegd en eiser hierover gehoord had moeten worden. Verweerder heeft hierop in het bestreden besluit gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat eiser ook daadwerkelijk kans maakt op een Spaanse woonvergunning. Verweerder heeft het starten van de aanvraag van de Spaanse woonvergunning dus wel in zijn besluitvorming betrokken. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat verweerder wel heeft voldaan aan haar hoorplicht alvorens het opleggen van het inreisverbod. Dat eiser niet op de door hem gewenste manier is gehoord – namelijk in persoon bij een gehoor met een hoor- en beslismedewerker van verweerder – doet hieraan niet af en leidt, anders dan door eiser gesteld, niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft niet aangevoerd waaruit zou volgen dat verweerder met eiser een gehoor in persoon had moeten afleggen. Eisers beroepsgrond op dit punt slaagt dus niet.
Heeft verweerder bij het opleggen van het inreisverbod in strijd gehandeld met artikel 3 van het EVRM?
11. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij bij uitzetting een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. Dat sprake is van een andere verdeling van de bewijslast is niet gesteld of gebleken. In het onherroepelijk geworden besluit tot afwijzing van eisers eerdere asielaanvraag heeft verweerder getoetst aan artikel 3 van het EVRM en geoordeeld dat bij terugkeer naar Algerije geen sprake is van strijd met die bepaling. Eiser heeft niet betwist dat hij ten opzichte van zijn eerdere asielaanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder bij de opvolgende aanvraag desondanks opnieuw had moeten beoordelen of sprake is van strijd met artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder ter zitting voldoende toegelicht dat daarvan niet is gebleken nu eiser hierover niks concreets heeft aangevoerd, ook niet ter zitting. Ook als al sprake zou zijn van een gebrek in de besluitvorming, is niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. De grond van eiser slaagt niet. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding om – zoals eiser ter zitting om heeft verzocht – prejudiciële vragen op dit punt te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Conclusie
12. Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Zoals bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.
Paragraaf A4/2.4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Paragraaf A4/3.3 van de Vc.