Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:23739
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,936 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.31756 (beroep) en NL24.31757 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn opvolgende asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 7 oktober 2022 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 augustus 2024 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft de beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 september 2024 op zitting behandeld. Eiser, zijn gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en de heer O. Ilni (tolk) hebben aan deze zitting deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
De opvolgende aanvraag
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1984. Eiser heeft de volgende documenten bij zijn opvolgende aanvraag ingediend die volgens hem nog niet eerder in zijn bezit waren:
overlijdenscertificaat van vader, afgegeven door het Somalische ministerie van Volksgezondheid;
overlijdenscertificaat van oom, afgegeven door het Somalische ministerie van Volksgezondheid;
overlijdensakte van vader, afgegeven door het Madina ziekenhuis in Mogadishu;
overlijdensakte van oom, afgegeven door het Kulan Specialist Hospital in Mogadishu;
bevestiging van de echtheid van de bovengenoemde documenten door de Somalische ambassade in Brussel, België.
overlijdenscertificaat van vader, afgegeven door de Somalische politie; en
overlijdenscertificaat van oom, afgegeven door de Somalische politie.
Documenten 1 en 2 zijn volgens eiser gelegaliseerd door het Somalische ministerie van Buitenlandse Zaken middels een stempel.
Het bestreden besluit
4. Hoewel er volgens verweerder bij de opvolgende aanvraag wel sprake is van een nieuwe bevinding, is deze nieuwe bevinding niet relevant voor de beoordeling van de asielaanvraag. Verweerder betrekt hierbij de bevindingen van BD van 27 december 2021 en 8 november 2022. Verweerder heeft daarom bij het bestreden besluit de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort gezegd – het volgende aan. De conclusies van BD zijn gebaseerd op de verkeerde aanname dat eisers moeder niet in bezit was van originele overlijdenscertificaten. Eisers moeder heeft van het ziekenhuis echter wel degelijk nieuwe afschriften gekregen van de overlijdenscertificaten. Dat maakt dat de instanties wier verklaringen zijn ingebracht wel de (originele) overlijdenscertificaten hebben kunnen onderzoeken. Daarmee zijn de conclusies van BD niet inzichtelijk. Verder heeft BD ten onrechte geen van de ingebrachte documenten forensisch-technisch onderzocht op authenticiteit. Eiser heeft de authenticiteit van de overlijdenscertificaten, anders dan in de vorige procedure, nu wel aangetoond door middel van de verklaringen van drie verschillende instanties. Verweerder had volgens eiser alle documenten in onderlinge samenhang moeten bezien.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers opvolgende asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
7. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen die verweerder in het kader van artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn moet maken, bestaat uit twee stappen. Stap 1 is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen. De eerste fase is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een element of bevinding is nieuw wanneer het niet werd onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt verweerder toe aan de tweede fase. De tweede fase is het onderzoek of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het Hof overweegt dat moet zijn voldaan aan beide in fase 1 en fase 2 genoemde ontvankelijkheidsvereisten, maar benadrukt dat het gaat om afzonderlijke vereisten. Als aan die vereisten is voldaan, moet de staatssecretaris vervolgens overgaan tot stap 2, die inhoudt dat hij de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt. Over stap 1, fase 2 heeft de Afdeling overwogen dat artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn geïmplementeerd is in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. In deze bepaling van de Vw is opgenomen dat het erom gaat of nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarmee kent de Nederlandse implementatiewetgeving een minder streng ontvankelijkheidscriterium voor stap 1, fase 2, dan de Procedurerichtlijn. Daarom moet de staatssecretaris in fase 2 beoordelen of de documenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de nieuwe bevindingen niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
7.2.
Verweerder heeft de verklaring van onderzoek van BD van 8 november 2022 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Daarin stelt BD dat de verklaringen van overlijden van de vader en oom van eiser, afgegeven door de ziekenhuizen (documenten 3 en 4) gewaarmerkte fotokopieën en dus niet origineel zijn en hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. BD baseert die laatste conclusie op het feit dat de originele documenten eerder zijn onderzocht op 27 december 2021 en door BD in bewaring zijn gehouden.
7.3.
Een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten moet worden aangemerkt als deskundigenadvies. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder, als zij een deskundigenadvies aan haar besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van moet vergewissen dat het deskundigenadvies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig – en naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als dat het geval is, kan de uitkomst van een deskundigenbericht alleen met succes worden bestreden als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het deskundigenadvies worden aangevoerd, bijvoorbeeld door middel van een contraexpertise.
7.4.
Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij inderdaad fotokopieën van de verklaringen van overlijden van de ziekenhuizen (documenten 3 en 4) heeft ingediend. Eiser heeft ter zitting verklaard dat de nieuwe door zijn moeder opgevraagde originele verklaringen van de ziekenhuizen bij de Somalische ambassade zijn achtergebleven. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser in deze procedure geen originele verklaringen van ziekenhuizen heeft overgelegd. Dat de betreffende instanties (het Somalische ministerie van Volksgezondheid, de Somalische politie en de Somalische ambassade in Brussel) zich bij het afgeven van hun verklaringen (documenten 1, 2, 5, 6 en 7) wel op de originele ziekenhuisverklaringen hebben gebaseerd, heeft eiser niet onderbouwd en is dan ook geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de conclusies van BD. Het enkele feit dat ze nu gewaarmerkt zijn, betekent ook niet dat de conclusie van BD in de verklaring van onderzoek van 18 november 2022 over deze verklaringen van overlijden ziekenhuis onjuist is. BD stelt gelet op het voorgaande namelijk terecht dat het kopieën betreft en dat de originelen al eerder zijn onderzocht op 27 december 2021.
7.5.
Verder heeft verweerder betrokken dat BD over de documenten 1, 2 en 5 heeft geconcludeerd dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven.
Conclusie
8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Bureau Documenten.
Arrest van het Hof van 10 juni 2021 (LH), ECLI:EU:C:2021:478; zie ook uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699, r.o. 6.3, noot 2.
Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2076..