Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:23731
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7043
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Kuijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, het college
(gemachtigde: mr. A. Nandpersad).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een ontheffing van de arbeids- en sollicitatieverplichting op grond van artikel 9a, eerste lid, Participatiewet (Pw).
2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 mei 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 september 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
5. De rechtbank is bij de beoordeling uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.
6. Eiseres is in 2014 in Nederland komen wonen. In 2017 verhuisde zij naar Duitsland, waar zij is getrouwd en met haar echtgenoot twee kinderen kreeg. In 2020 verhuisde eiseres met de kinderen, maar zonder haar echtgenoot terug naar Nederland. Hun derde en vierde kind werden in Nederland geboren. Haar echtgenoot komt regelmatig vanuit Duitsland naar Nederland om eiseres en de kinderen te zien.
7. Tijdens een hoorzitting bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 9 mei 2023 gaf eiseres aan niet zelf financieel redzaam te zijn, maar ontheven te zijn van de arbeidsverplichting. Nadat de IND eiseres om bewijs van die vrijstelling had gevraagd, heeft eiseres op 17 mei 2023 bij het college een verzoek ingediend om haar ontheffing te verlenen van arbeidsverplichtingen in verband met de volledige zorg die zij als alleenstaande ouder voor haar vier jonge kinderen heeft.
8. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet als alleenstaande ouder gezien kan worden. Eiseres is immers gehuwd en heeft aan het college verklaard dat haar echtgenoot meerdere dagen per week in Nederland is om haar te ondersteunen in de zorgtaken voor de kinderen en om onderdeel uit te maken van het gezin. Verweerder concludeert hieruit dat eiseres dus niet volledig alleen de zorg over de kinderen draagt en dat eiseres volgens de definitie uit artikel 4 lid 1 onder b Pw niet kan worden aangemerkt als alleenstaande ouder. Aanvullend concludeert verweerder dat eiseres ook niet kan worden gelijkgesteld met een ongehuwde op basis van artikel 3 lid 2 sub b Pw, omdat eiseres niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Op basis hiervan komt eisers niet in aanmerking voor ontheffing van de arbeidsplicht in verband met de zorg voor kinderen onder de 5 jaar als alleenstaande ouder.
Heeft eiseres procesbelang?
9. Voordat de rechtbank inhoudelijk toekomt aan de beoordeling van het beroep, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiseres nog voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep vanwege de beëindiging van haar bijstandsuitkering in juli 2023. De arbeidsverplichting is immers aan die uitkering gekoppeld en met de beëindiging van de uitkering vervalt ook de arbeidsverplichting.
10. Omdat tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering een beroepsprocedure aanhangig is, staat deze beëindiging nog niet in rechte vast. Dit betekent dat de kans bestaat dat eiseres de beoogde uitkomst van het onderhavige beroep ook daadwerkelijk zou kunnen verwezenlijken. Daarmee is sprake van een voldoende procesbelang voor eiseres bij de beoordeling van haar beroep.
Wat voert eisers in beroep aan?
11. Eiseres voert aan dat het college haar ten onrechte geen ontheffing heeft verleend voor de arbeidsverplichting. Zij meent dat zij wel degelijk als alleenstaande ouder moet worden gezien dan wel daaraan gelijk gesteld zou moeten worden. Zij staat alleen voor de verzorging en opvoeding van vier jonge kinderen. Het college heeft volgens eiseres ten onrechte overwogen dat de feitelijke omstandigheden van eiseres niet voldoende zijn om te bepalen dat zij duurzaam gescheiden zou leven van haar echtgenoot.
Wat oordeelt de rechtbank?
12. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alleenstaande ouder is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
13. Ontheffing van de arbeidsplicht is op grond van artikel 9a Pw mogelijk voor een alleenstaande ouder. Volgens de definitie van artikel 4, eerste lid, sub b Pw is een alleenstaande ouder, kort gezegd, iemand die ongehuwd is én alleen de zorg draagt over zijn kinderen. Aan beide voorwaarden moet dus voldaan zijn om als alleenstaande ouder te kunnen worden aangemerkt. In artikel 3, tweede lid, onder b Pw wordt met een ongehuwde gelijkgesteld diegene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
14. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres gehuwd is. De echtgenoot van eiseres is, zo blijkt uit de stukken, met enige regelmaat in Nederland. Na de geboorte van het jongste kind was hij hier intensiever tot ongeveer de maand juli 2023. In ieder geval verbleef de echtgenoot in de te beoordelen periode (17 mei 2023 (datum aanvraag) tot en met 24 mei 2023 (datum primair besluit)) wekelijks voor één of meerdere dagen in Nederland om eiseres te ondersteunen in de zorgtaken voor hun vier kinderen. Daarmee delen eiseres en haar echtgenoot, hoewel misschien op ongelijke wijze, wel degelijk de zorgtaken. Eiseres draagt dan ook niet de volledige zorg over hun kinderen. Dat de echtgenoot van eiseres haar financieel niet zou ondersteunen, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de feitelijke verdeling van zorgtaken. Hieruit concludeert de rechtbank dat eiseres aan geen van beide criteria van de definitie alleenstaande ouder voldoet.
15. Ook is geen sprake van dat eiseres op basis van haar omstandigheden gelijkgesteld zou moeten worden met een ongehuwde. Daarvan zou sprake zijn als vastgesteld kan worden dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot.
16. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten pas sprake indien ten minste één van hen de huwelijke samenleving wil verbreken, beiden een afzonderlijk eigen leven leiden alsof hij of zij niet met de ander zijn gehuwd én ten minste één van hen deze situatie als blijvend bedoelt. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 december 2019, ECLI:NL:CRVB:4164).
17. Eiseres heeft niets aangevoerd waaruit aannemelijk wordt dat zij en haar echtgenoot met blijvende bedoelingen een afzonderlijk leven leiden alsof zij niet met de ander gehuwd zijn. Integendeel, de echtgenoot van eiseres verbleef in de te beoordelen periode wekelijks voor enkele dagen bij eiseres, waardoor feitelijk sprake is van een echtelijke samenleving. De gemachtigde van eiseres bevestigde ter zitting overigens dat de echtgenoot van eiseres ook nu nog maandelijks gedurende één a twee dagen naar Nederland komt om bij zijn gezin te zijn. Bovendien heeft de gemachtigde ter zitting bevestigd dat het, in tegenstelling tot hetgeen is aangevoerd in het beroepschrift, ook nog altijd de bedoeling is dat de echtgenoot van eiseres zich bij zijn gezin gaat voegen; daarover loopt nog steeds een procedure bij de IND. Dit betekent dat de echtgenoten juist niet de bedoeling hebben dat de huidige situatie blijvend is. Hieruit concludeert de rechtbank dat eiseres niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Zij kan daarom niet als ongehuwd worden aangemerkt en is geen alleenstaande ouder in de zin van 4, eerste lid, sub b Pw, zodat verweerder terecht het verzoek tot ontheffing van de arbeidsverplichting heeft afgewezen.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.