Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:23730
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,780 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1648
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: D. van der Locht),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de heffingsambtenaar
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 11 december 2023 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2023 is vastgesteld op € 535.000 (de beschikking).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2024. Namens belanghebbende is [naam 1] verschenen, als waarnemer voor gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 525.000.
2. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten, waarvan twee in hetzelfde complex zijn gelegen, goed vergelijkbaar met de woning. De rechtbank heeft daarbij geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar aan de woning en de vergelijkingsobjecten toegekende objectkenmerken, dan wel de aan die objectkenmerken toegekende KOUDV+L-factoren en de wijze waarop aan de hand daarvan de waarde is herleid. Met de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, waaronder de gebruiksoppervlakte, de voorzieningen en de kwaliteit, heeft de heffingsambtenaar, anders dan belanghebbende stelt, in voldoende mate rekening gehouden. De rechtbank acht daarmee aannemelijk gemaakt dat de door de heffingsambtenaar bepleitte waarde niet te hoog is.
4. Wat belanghebbende in beroep heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar de woning voor kwaliteit en voorzieningen op een twee in de matrix had moeten zetten, faalt. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de staat van de keuken en badkamer simpel is en dat de waarde daarom naar beneden moet worden bijgesteld in beroep onvoldoende concreet onderbouwd. De rechtbank gaat daarom hieraan voorbij. Wat betreft het verschil tussen de kwaliteit van de woning en het referentieobject aan de Reinkenstraat 2E, heeft de heffingsambtenaar ter zitting duidelijk uitgelegd dat het enkele feit dat deze objecten in hetzelfde complex gelegen zijn en hetzelfde bouw- en renovatiejaar kennen, niet betekent dat de kwaliteit daarvan hetzelfde is. De kwaliteit is namelijk afhankelijk van de interne staat van een object. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de slechte ligging, volgt de rechtbank ook niet. De heffingsambtenaar heeft de twee vergelijkingsobjecten met dezelfde ligging als de woning hetzelfde liggingskenmerk gegeven.
5. Ter zitting voerde belanghebbende nog aan dat de onderbouwing van de indexering naar de waardepeildatum en de correctie op basis van de VVE-reserves niet blijken uit de matrix. De gemachtigde van belanghebbende bevestigde wel dat de documenten over de onderbouwing van de indexering en de VVE-reserves reeds in de bezwaarfase in zijn bezit waren. Bovendien heeft de heffingsambtenaar de VVE-reserves opgenomen in het verweerschrift en uitgelegd hoe deze in de matrix zijn verwerkt. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen over de wijze waarop aan de hand de VVE-reserves en de indexering naar de waardepeildatum de waarde is herleid. Dit standpunt leidt dus niet tot een ander oordeel.
6. De gemachtigde van belanghebbende stelde ter zitting ook nog dat de heffingsambtenaar de volledige iWOZ-kaarten in de bezwaarfase had moeten overleggen. iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Die gegevens van de VNG behoren in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb en hoeven dus in principe niet verstrekt te worden. Van een schending van artikel 40 Wet WOZ is op dit punt dan ook geen sprake.
Conclusie
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van B.A.P. Frieling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44
vgl. Gerechtshof Amsterdam 20 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:310 en Hoge Raad 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1526