Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:23722
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,794 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/653682 / HA ZA 23-808
Vonnis van 10 juli 2024
in de zaak van
HBI PROJECTMANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie,
hierna te noemen: HBI,
advocaat: mr. H.A. van Hapert,
tegen
1INFRA PROFESSIONALS B.V.,
gevestigd te Delft,
hierna te noemen: IP,2. B&I ARBEIDSBEMIDDELING B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: B&I,3. [naam 1],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [naam 1] ,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] c.s.,
advocaat: mr. J.E. Polet.
Procesverloop
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 30 augustus 2023 met producties 1 tot en met 23, inclusief een USB met geluidsopname;
- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 28 februari 2024 met producties 1
tot en met 6;
- het tussenvonnis van 20 maart 2024 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2024. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling vragen van de rechtbank beantwoord en de advocaten hebben de zaak nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen van de mondelinge behandeling gemaakt.
1.3.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
HBI drijft een detacheringsbedrijf. In september 2020 is HBI opgericht door de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] is de broer van de huidige bestuurder van HBI de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Op 7 juli 2023 heeft [naam 2] zijn aandelen in HBI overgedragen aan HBI Projects & Staffing Holding B.V. [naam 3] is de bestuurder en enig aandeelhouder van HBI Projects & Staffing Holding B.V.
2.2.
IP en B&I voeren tevens een detacheringsbedrijf. Mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van IP, en IP is op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van B&I.
2.3.
[naam 3] en [naam 1] zijn gehuwd geweest tot 2011 en hebben gezamenlijk kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2010 en [geboortedatum 2] 2011. Na hun echtscheiding hebben partijen (in ieder geval) hun zakelijke relatie voortgezet en ze hebben tot 2022 (voor in ieder geval een gedeelte van de tijd) in dezelfde woning gewoond samen met hun kinderen. [naam 3] is in 2012 in staat van faillissement verklaard.
2.4.
In het verleden hebben IP en B&I, [naam 3] bij derden, zoals bij een gemeente, gedetacheerd voor zijn werkzaamheden als civiel ingenieur. Vanaf september 2020 werd hij via HBI, in plaats van IP en B&I, gedetacheerd bij derden.
2.5.
IP en B&I hebben vanaf september 2020 een groot aantal facturen aan HBI verzonden. Deze facturen hebben als omschrijving: projectmanagement, commerciële adviesdiensten of diverse projecten.
2.6.
Tussen oktober 2020 en juli 2023 heeft HBI aan zowel B&I en IP verschillende bedragen betaald voor in totaal ongeveer € 1.000.000,00.
2.7.
In een schriftelijk stuk met de titel ‘overeenkomst van opdracht’ (hierna: de Overeenkomst) dat, gedateerd, geparafeerd en ondertekend is op 4 september 2020, wordt HBI als opdrachtgever aangeduid, IP en B&I als opdrachtnemers, [naam 1] als borg en [naam 3] als werknemer.
2.8.
In de Overeenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“Artikel 1 In dienst name en detachering van de werknemer
1.1
Loondienst en nieuwe inhuuropdrachten:
a. De werknemer nog 2 jaar te weten tot 1 september 2022 in dienst blijft bij de opdrachtnemers;
b. Nieuwe opdrachten van inhuurovereenkomsten per september 2020 al ten name komen van opdrachtgever en daarmee de opdrachtgever direct aan eindklant van de opdracht kan factureren;
c. De opdrachtnemers de onder artikel 1.2 lid a opgenomen bedragen in deze periode kan factureren aan opdrachtgever;
d. De opdrachtgever de werknemer per 1 september 2022 in dienst neemt;
e. Deze overgangsperiode benut moet worden om tot een afronding te komen in het afwikkelen van een evenredige verdeling van huis en inboedel in hun persoonlijke situatie tussen mevrouw [naam 1] (en opdrachtgevers) enerzijds en de werknemer anderzijds, zodat werknemer in de toekomstige samenwerking met opdrachtgever vrij is van deze beslommeringen en optimaal ingezet kan worden in de dienstverlening van opdrachtgever.
1.2
Honorering, compensatie en betalingen:
a. De opdrachtnemers over deze periode van 2 jaar een jaarlijks bedrag mogen factureren aan opdrachtgever thv € 200.000 inclusief btw, met een totaal over 2 jaar van maximaal € 400.000 inclusief btw, met de omschrijving ‘diverse projecten’ en een betalingstermijn van 30 dagen;
b. Bovengenoemde bedragen onder artikel 1.2 lid a zijn onlosmakelijk verbonden met het naar volle tevredenheid en binnen de planning door opdrachtnemers opleveren van de opdracht omschreven in artikel 2. Indien dit niet het geval is, zal het complete bedrag te weten € 400.000 incl. btw door opdrachtgever teruggevorderd worden van de opdrachtnemers of een percentage ervan naar mate van tevredenheid van oplevering;
c. De opdrachtgever ter compensatie voor het niet direct in dienst nemen van werknemer een eenmalige vergoeding ontvangt van opdrachtnemers van € 50.000 exclusief btw. Deze compensatie mag na ondertekening direct gefactureerd worden met de omschrijving ‘compensatie detachering’ en een betalingstermijn van 30 dagen.
(…)
Artikel 2 Ontwikkeling online marktplaatsdesk
(…)
2.2
Honorering en betalingen:
a. Opdracht voor ontwikkeling, lancering en oplevering van de online marktplaats is op basis van een vaste prijs, te weten: totaal € 550.000 incl. BTW;
b. Bestaande uit:
Opstart- en verkenningsfase: € 200.000
Ontwikkelingsfase: € 200.000
Pilot- en testfase: € 75.000
Opleverings-en gebruikersfase: € 75.000
c. De facturering voor het totale vaste bedrag maandelijks te factureren met de omschrijving ‘projectmanagement’ en ‘commerciële diensten’ en een betalingstermijn van 30 dagen;
(…)
2.4
Oplevering producten:
(…)
h. Indien de producten niet naar volle tevredenheid worden opgeleverd, zal complete opdrachtsom, te weten € 550.000 incl. btw binnen 14 dagen na 14 juli 2023 door opdrachtnemers aan opdrachtgever worden terugbetaald;
i. Daarnaast zal in dit geval ook het bedrag van € 400.000 incl btw voor de opdracht zoals staat omschreven in artikel 1, binnen 14 dagen na 14 juli 2023 door opdrachtnemers aan opdrachtgever worden terugbetaald.
2.5
Planning en duur van de opdracht
a. Start zal zijn vanaf 1 oktober 2020 met een vooroplevering in januari 2023 en een eindoplevering op 14 juli 2023;
(…)
Artikel 3 Slotbepalingen uitgangspunten & randvoorwaarden samenwerking:
(…)
g. [naam 1] (de Borg) verklaart door ondertekening van deze overeenkomst, dat zij zich borg stelt voor al hetgeen de opdrachtnemers nu of te eniger tijd uit welken hoofde ook aan de opdrachtgever schuldig mochten zijn of worden. Indien opdrachtnemers te kort schieten in de nakoming van hun verplichtingen, dan staat [naam 1] borg voor hun gehele financiële verplichting aan opdrachtgever met wettelijke rente, indexering en kosten. In de borgstelling is ook het terugvorderingsbedrag t.h.v. € 950.000 incl. btw inbegrepen, conform het gestelde in artikel 1.2 lid b, 2.4 lid h en i en 2.5 lid d en e van deze overeenkomst. Indien [naam 1] de afspraken vanuit de borgstelling niet na komt, dan is het gehele verschuldigd bedrag direct inbaar door incassobureau, met evt. beslaglegging op en verkoop van eigendommen van [naam 1] .
h. Werknemer is bevoegd namens opdrachtgevers de voortgang te bewaren en de betalingen te verrichten;
(…)”
2.9.
Bij brief van 27 juli 2023 heeft de advocaat van HBI, [gedaagden] c.s. in gebreke gesteld en gesommeerd tot oplevering van een zogenoemde marktplaatsdesk, bij gebreke waarvan HBI aanspraak maakt op terugbetaling van een bedrag van € 550.000,00.
2.10.
Bij brief van 4 augustus 2023 heeft de advocaat van HBI onder verwijzing naar de Overeenkomst [naam 1] cc.s. gesommeerd tot betaling van € 1.094.733,88, bestaande uit de terug te betalen opdrachtsom van € 550.000,00, de terug te betalen detacheringsvergoeding van € 400.000 en een onverschuldigd betaald bedrag van in totaal € 84.429,90.
Geschil
Conventie
3.1.
HBI vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. voor recht verklaart dat er op 4 september 2020 tussen HBI en [gedaagden] c.s., althans tussen haar en IP en B&I een rechtsgeldige overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, alsmede dat [gedaagden] c.s., althans IP en B&I in verzuim zijn in de nakoming van die overeenkomst;
II. IP en B&I hoofdelijk veroordeelt tot terugbetaling aan HBI van primair € 550.000,00 (opdrachtsom), alsmede € 400.000 (detacheringsvergoeding), alsmede € 50.000,00 ex btw ter zake van de eenmalige vergoeding, althans subsidiair € 550.000,oo (opdrachtsom), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 juli 2023, althans 27 juli 2023, althans 4 augustus 2023, althans een in goede justitie te bepalen datum;
III. IP en B&I veroordeelt tot terugbetaling aan HBI van € 84.429,90, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 juli 2023, althans 27 juli 2023, althans 4 augustus 2023, althans een in goede justitie te bepalen datum uit hoofde van onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking;
IV. voor recht verklaart dat er op 4 september 2020 tussen HBI en [naam 1] een rechtsgeldige overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, alsmede dat [naam 1] zich in deze overeenkomst persoonlijk borg heeft gesteld voor terugbetaling aan HBI van € 550.000,00 (opdrachtsom), alsmede € 400.000,00 (detacheringsvergoeding), alsmede € 50.000,00 ex btw ter zake van de eenmalige vergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
V. [naam 1] uit hoofde van de borgstelling veroordeelt tot terugbetaling aan HBI van primair € 550.000,00 (opdrachtsom), alsmede € 400.000,00 (detacheringsvergoeding), althans subsidiair € 550.000,00 (opdrachtsom), althans een in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 juli 2023, althans 27 juli 2023, althans 4 augustus 2023, althans een in goede justitie te bepalen datum.
Een en ander met veroordeling van [gedaagden] c.s. in de proceskosten en de nakosten vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] c.s. concluderen dat de vorderingen van HBI moeten worden afgewezen met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van HBI in de proceskosten.
Reconventie
3.3.
[gedaagden] c.s. vorderen in reconventie – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis HBI te veroordelen tot betaling aan [gedaagden] c.s. van (i) de wettelijke rente over € 600.000,00 vanaf 30 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling, en (ii) € 774,40 voor de kosten van de depotakte. Daarnaast vorderen [gedaagden] c.s. een verklaring voor recht dat HBI uit hoofde van een door haar gepleegde onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens [gedaagden] c.s. voor de als gevolg daarvan door hen geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat.
3.4.
HBI concludeert dat de vorderingen van [gedaagden] c.s. moeten worden afgewezen met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagden] c.s. in de proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De conventie en de reconventie houden verband met elkaar en zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.
De vorderingen onder I, II, IV en V in conventie
De Overeenkomst
4.2.
De vordering van HBI tot betaling van € 550.000,00 en € 400.000,00 en € 50.000,00 door Ousrouti c.s. is gebaseerd op nakoming van de door HBI gestelde overeenkomst. Volgens HBI is er een overeenkomst gesloten tussen haar IP en B&I, op grond waarvan IP en B&I € 400.000,00 mochten facturen aan HBI, terwijl HBI recht had op een eenmalige vergoeding van € 50.000,00. Ook zouden IP en B&I een marktplaatsdesk (laten) ontwikkelen, waarvoor IP en B&I € 550.000,00 zouden ontvangen van HBI. Indien de marktplaatsdesk niet naar volle tevredenheid zou worden opgeleverd op de opleverdatum van 14 juli 2023, dienden de bedragen van € 400.000,00 en € 550.000,00 te worden terugbetaald. Omdat de marktplaatsdesk niet is opgeleverd zijn IP & B&I deze bedragen verschuldigd aan HBI. Ook maakt HBI aanspraak op betaling van de eenmalige vergoeding van € 50.000,00. Ousrouti heeft zich in de overeenkomst als borg verbonden tot betaling van de bedragen van € 400.000,00 en € 550.000,00, aldus HBI.
4.3.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft HBI verwezen naar de Overeenkomst. De Overeenkomst is volgens HBI ondertekend door [naam 1] namens zichzelf en namens IP en B&I. Dat partijen de Overeenkomst hebben gesloten volgt volgens HBI ook uit de door haar overgelegde schriftelijke getuigenverklaring van [naam 2] . [naam 2] heeft de Overeenkomst namens HBI ondertekend en verklaart in zijn getuigenverklaring dat [naam 1] de Overeenkomst in zijn bijzijn op 4 september 2023 in haar toenmalige woning heeft ondertekend.
4.4.
HBI heeft gesteld dat het bestaan van de Overeenkomst ook valt af te leiden uit de uitvoering van daarin opgenomen afspraken. Volgens HBI is uitvoering gegeven aan de Overeenkomst, omdat [gedaagden] c.s. derden hebben ingeschakeld voor de ontwikkeling van de marktplaatsdesk. HBI heeft daartoe een factuur van Carerix aan IP van 20 september 2022 en een factuur van Carerix aan HBI van 20 februari 2023 overgelegd. Daarnaast heeft HBI aan [gedaagden] c.s. betalingen verricht voor de (ontwikkeling van de) marktplaatsdesk.
4.5.
[gedaagden] c.s. ontkennen de door HBI gestelde overeenkomst. Er is volgens [gedaagden] c.s. wel sprake van een – naar de rechtbank begrijpt mondelinge - overeenkomst tussen IP en B&I op grond waarvan [naam 3] is gedetacheerd aan HBI en op grond waarvan er vergoedingen zijn betaald door HBI aan IP en B&I. Die overeenkomst heeft echter niet de door HBI gestelde inhoud. In het bijzonder hebben [gedaagden] c.s. weersproken dat zij de marktplaatsdesk zouden (laten) ontwikkelen en dat zij de gevorderde bedragen verschuldigd zijn nu deze niet is ontwikkeld en opgeleverd. [naam 1] heeft zich niet borg gesteld voor de gestelde betalingsverplichting. Ook de gestelde eenmalige vergoeding zijn partijen niet overeengekomen, aldus [gedaagden] c.s.
4.6.
[gedaagden] c.s. hebben in dit kader stellig ontkend dat [naam 1] de Overeenkomst namens zichzelf en namens IP en B&I heeft ondertekend. Zij voeren aan dat de parafen en handtekeningen bij de naam van [naam 1] niet van haar afkomstig zijn. De parafen en handtekeningen van [naam 1] verschillen in de dikte van de gebruikte pen. Volgens [gedaagden] c.s. is het mogelijk dat de parafen en handtekeningen zijn gekopieerd uit andere documenten en vervolgens (elektronisch) geplakt onder de tekst van de Overeenkomst. In dat geval zou er ook sprake zijn van verschillen in de dikte van de gebruikte pen. Voorts stellen [gedaagden] c.s. dat [naam 1] op 4 september 2020 niet thuis was om de Overeenkomst te tekenen. Zij had afgesproken met een vriendin. Dat volgt volgens [gedaagden] c.s. uit de WhatsAppberichten en e-mailcorrespondentie die zijn overgelegd.
4.7.
[gedaagden] c.s. hebben verder gemotiveerd betwist dat er uitvoering is gegeven aan de afspraken in de Overeenkomst. Dit kan niet worden afgeleid uit de betaling noch uit de overgelegde factuur van Carerix.
4.8.
Volgens [gedaagden] c.s. is de Overeenkomst een vervalste overeenkomst. [gedaagden] c.s. duiden de Overeenkomst als een door [naam 3] bedachte schijnconstructie om [naam 1] onder druk te zetten in hun geschil over de afwikkeling van de voormalige echtelijke woning. [naam 3] bediende zich volgens [naam 1] wel vaker van schijnconstructies.
Bewijs van de handtekening
4.9.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De Overeenkomst en het geschil tussen partijen is onderwerp geweest van de tussen partijen gevoerde kort gedingprocedure ter zake de opheffing van de gelegde conservatoire beslagen. In die procedure heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat, in meer algemene zin, sprake is geweest van een constructie waarbij, in verband met de schulden van [naam 3] , inkomsten van [naam 3] op papier terecht kwamen bij [gedaagden] c.s. en waaraan [gedaagden] c.s. hebben meegewerkt, althans [gedaagden] c.s. hebben deze constructie toegelaten. In de onderhavige procedure hebben [gedaagden] c.s. afstand genomen van de overweging van de voorzieningenrechter dat zij hebben meegewerkt aan een dergelijke constructie. Het is uitsluitend [naam 3] geweest die zich heeft bediend van constructies, aldus [gedaagden] c.s. Er is volgens [gedaagden] c.s. niet sprake van de situatie waarin zij wel de Overeenkomst heeft getekend maar dat de Overeenkomst slechts een papieren werkelijkheid was en geen weergave van de werkelijke afspraken tussen partijen.
4.10.
De rechtbank overweegt dat, nu [gedaagden] c.s. stellig ontkennen dat de parafen en handtekeningen bij de naam van [naam 1] onder de tekst van de Overeenkomst afkomstig zijn van [naam 1] , aan de Overeenkomst op dit moment niet de bewijsrechtelijke waarde toekomt als bedoeld in artikel 157 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit geldt voor zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Dat bewijs is nog niet geleverd. De schriftelijke verklaring van [naam 2] legt in dit stadium, gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen concluderen dat de handtekening onder de Overeenkomst van [naam 1] is. Dat betekent dat de rechtbank op basis van dat schriftelijke stuk niet kan aannemen dat tussen partijen de Overeenkomst bestaat.
4.11.
Uit hetgeen HBI overigens nog naar voren heeft gebracht volgt niet de door HBI gestelde inhoud van de overeenkomst. Dit volgt niet uit de gestuurde facturen en de verrichte betalingen. Volgens [gedaagden] c.s. hielden die betalingen namelijk verband met de detachering van [naam 3] en niet ook met de ontwikkeling van een marktplaatsdesk. Dat [naam 3] gedetacheerd is en dat daarvoor een vergoeding verschuldigd was, heeft HBI erkend. Uit de gefactureerde bedragen en de generieke omschrijvingen op de facturen kan niet worden afgeleid dat de facturen betrekking hebben op de werkzaamheden rond de (ontwikkeling van de) zogenoemde marktplaatsdesk. [gedaagden] c.s. betwisten daarnaast dat zij derden hebben ingeschakeld voor de (ontwikkeling van de) marktplaatsdesk. Zij wijzen er terecht op dat uit de facturen van Carerix aan IP en HBI ook niet kan worden afgeleid dat Carerix werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de (ontwikkeling van de) marktplaatsdesk.
4.12.
Dit brengt mee dat het debat tussen partijen zich heeft toegespitst op de beantwoording van de vraag of [naam 1] de Overeenkomst heeft ondertekend, zoals HBI stelt en [gedaagden] c.s. betwisten. Op HBI rust de bewijslast te dienaangaande. HBI heeft aangeboden om dit bewijs te leveren. Zij wordt als volgt daartoe toegelaten.
Beoordeling
Conventie en reconventie
4.28.
Iedere verdere beslissing in conventie en reconventie wordt aangehouden.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
draagt HBI op te bewijzen dat de parafen en handtekeningen op de Overeenkomst door [naam 1] zijn geplaatst,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 augustus 2024 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over de te benoemen deskundige en de aan deze persoon te stellen vragen,
5.3.
bepaalt dat HBI zich op de in 5.2 genoemde roldatum ook moet uitlaten over de vraag of zij ook bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.4.
bepaalt dat, als HBI geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan op de in 5.2. genoemde roldatum in het geding moet brengen,
5.5.
bepaalt dat, als HBI getuigen wil laten horen, zij de namen van die getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2024 dan direct in haar akte moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt in dat geval dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. D.E. Alink, in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,
in conventie en reconventie
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024.
3418
Zie onder meer Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:572 rov. 3.3.1-3.3.4.
Beoordeling
Handschriftdeskundige en bewijsopdracht
4.13.
HBI heeft aangeboden de echtheid van de parafen en handtekeningen op (de kopie van) de Overeenkomst te laten vaststellen door een handschriftdeskundige. De rechtbank zal een onderzoek door een dergelijke deskundige bevelen. Hoewel HBI kenbaar heeft gemaakt dat zij de originele versie van de Overeenkomst niet tot haar beschikking heeft, acht de rechtbank de benoeming van een handschriftdeskundige noodzakelijk voor de beoordeling van deze zaak.
4.14.
Voordat zal worden overgegaan tot het bevelen van een onderzoek door een dergelijke deskundige, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om een voorstel te doen voor de persoon die zij als deskundige benoemd willen zien en zich uit te laten over de aan deze deskundige te stellen vragen.
4.15.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een andere deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
4.16.
De rechtbank stelt voor dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekeningen boven “mevrouw S. [naam 1]” van het vijfde blad van het door HBI in deze procedure als productie 2 overgelegde schriftelijke stuk met de titel “Overeenkomst van opdracht”, door [naam 1] zijn geplaatst?
Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de parafen aan de rechterkant onderaan bladzijdes 1 tot en met 4 van het door HBI in deze procedure als productie 2 overgelegde schriftelijke stuk met de titel “Overeenkomst van opdracht”, door [naam 1] zijn geplaatst?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.17.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door HBI worden betaald.
4.18.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
4.19.
De rechtbank zal de zaak naar de in het dictum genoemde roldatum verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
4.20.
HBI heeft ook aangeboden om met andere middelen bewijs te leveren van feiten en omstandigheden die de conclusie ondersteunen dat de parafen en handtekeningen door [naam 1] op de Overeenkomst zijn geplaatst. Vanuit proceseconomisch oogpunt, laat de rechtbank HBI tevens toe, voor zover zij wenst, bewijs te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens in het geding te brengen. Indien HBI het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit te melden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.
4.21.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.
4.22.
Indien de rechtbank op grond van hetgeen naar voren komt uit het deskundigenonderzoek en/of het nog door HBI nog te leveren bewijs tot de conclusie komt dat [naam 1] de Overeenkomst heeft ondertekend, zullen de vorderingen worden toegewezen. In dat geval levert de Overeenkomst immers dwingend bewijs op van de door HBI gestelde afspraken. [gedaagden] c.s. hebben alsdan de gestelde afspraken onvoldoende gemotiveerd weersproken. Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat niet is bewezen dat [naam 1] de Overeenkomst heeft ondertekend zullen de vorderingen worden afgewezen. Zoals hiervoor immers is overwogen, heeft HBI alsdan onvoldoende gesteld voor de conclusie dat de gestelde afspraken zijn gemaakt.
De vorderingen onder III in conventie (onverschuldigde betaling)
4.23.
De onder III. weergegeven vordering van HBI tot betaling van € 84.429,90 is gegrond op onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Aan de vordering heeft HBI ten grondslag gelegd dat dit totaalbedrag abusievelijk is voldaan zonder dat hier werkzaamheden en facturen tegenover hebben gestaan.
4.24.
[gedaagden] c.s. betwisten dat het bedrag onverschuldigd betaald is, omdat de verrichte betalingen zien op de detachering van [naam 3] . Er is dus evenmin sprake van ongerechtvaardigde verrijking, aldus [gedaagden] c.s. De rechtbank is van oordeel dat HBI haar stelling dat sprake is van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking, gelet op deze betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat tussen partijen vaststaat dat HBI een vergoeding verschuldigd was aan IP en B&I voor de detachering van [naam 3] . Tegen deze achtergrond kan niet zonder meer worden aangenomen dat HBI een bedrag van € 84.429,90 onverschuldigd aan IP en B&I heeft betaald. HBI heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit dat volgt.
4.25.
Omdat HBI – zoals hiervoor overwogen – niet heeft voldaan aan de op haar rustende stel- en motiveringsplicht, wordt zij ten aanzien van haar vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking niet toegelaten tot bewijslevering. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen bij eindvonnis.
Reconventie
4.26.
De vorderingen in reconventie zijn erop gebaseerd dat uit het afwijzen van de vorderingen in conventie volgt dat HBI onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen van de conservatoire beslagen. El Oursouti c.s. hebben schade geleden door de gelegde beslagen. [gedaagden] c.s. hebben, nadat de beslagen deels zijn opgeheven door de voorzieningenrechter, een depot gesteld zodat ook het resterende beslag op de woning kon worden opgeheven. HBI dient te worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over het depotbedrag en tot betaling van de kosten van het depot. Ook vorderen [gedaagden] c.s. een verwijzing naar de schadestaat voor het vaststellen van de overige schade.
4.27.