Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:23704
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,599 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 23-7887 (echtscheiding)
FA RK 24-739 (verdeling huwelijksgemeenschap)
Zaaknummer: C/09/656132 (echtscheiding)
C/09/660695 (verdeling huwelijksgemeenschap)
Datum beschikking: 27 november 2024
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 20 oktober 2023 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J.J.A. Ooms in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W.S. Nijman in Oegstgeest.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
het verweer van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man;
het bericht van 16 mei 2024 van de vrouw;
de wijziging van het verzoekschrift en aanvullend verweerschrift van de vrouw, binnengekomen op 17 mei 2024;
het bericht met bijlagen van 18 september 2024 van de vrouw;
de wijziging en aanvulling van de zelfstandige verzoeken van de man van 19 september 2024;
het bericht met bijlage van 23 september 2024 van de man;
het bericht met bijlagen van 23 september 2024 van de vrouw;
het bericht met bijlagen van 26 september 2024 van de vrouw;
het bericht met bijlage van 26 september 2024 van de man.
Op 30 september 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw bijgestaan door haar advocaat en tolk H. Gebrehwot (Amerikaans);
de man bijgestaan door zijn advocaat;
[naam 1] namens de raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting zijn – conform afspraak – door de advocaten van partijen nadere stukken overgelegd.
het bericht met bijlagen van 11 oktober 2024 van de vrouw;
het bericht met bijlagen van 14 oktober 2024 van de man.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [dag] 2015 in [plaats 1] , Rhode Island (Amerika).
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
De vrouw heeft de Amerikaanse nationaliteit, en de man de Nederlandse nationaliteit.
[minderjarige] heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
Uit een uittreksel Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw sinds 2017 in Nederland is.
De ouders hebben in de voorlopige voorzieningenprocedure volledige overeenstemming bereikt. Zij hebben hun oorspronkelijke (zelfstandige) verzoeken tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank heeft daarom vastgesteld dat er niets meer te beslissen valt. De ouders hebben de volgende afspraken gemaakt:
- gedurende de echtscheidingsprocedure blijven de ouders allebei in de echtelijke woning waarbij zij gescheiden leven;
- de man draagt zorg voor [minderjarige] op de dagen dat de vrouw werkt, te weten op dinsdag en vrijdag tot en met zondag. De man gaat op zondag met [minderjarige] naar de kerk;
- de vrouw betaalt aan de man een bedrag van € 500,- voor kosten huishouding (niet zijnde boodschappen). De man zal alle schulden blijven betalen en de kinderbijslag zal worden gedeeld.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] , bij de vrouw;
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat [minderjarige] bij de man is: iedere dinsdag na school tot woensdag op school, alsmede iedere vrijdag na school tot zondag 14:00 uur;
vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 156,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum dat de vrouw eigen woonruimte heeft gedurende het eerste jaar, en daarna € 308,- per maand;
toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,
vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het uitspreken van de echtscheiding en de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De man voert verweer tegen het overige verzochte, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, na wijziging:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man;
bepaling van de door de man voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling
bepaling dat de vrouw het recht heeft op gebruik en bewoning van de echtelijke woning – zolang zij nog geen woonruimte heeft – aan de [adres] te [plaats 2] doch dat dit eindigt uiterlijk twee maanden na ontbinding van het huwelijk;
vaststelling van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil;
toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning;
vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap in die zin:
- dat eenieder in de interne verhouding voor de helft draagplichtig is voor de schulden, nu de schulden zijn aangegaan ten behoeve van partijen en de gemeenschap en dat indien de man meer dan zijn aandeel van 50% in een schuld voldoet hij een regresvordering op de vrouw heeft en haar tot betaling van dat bedrag te veroordelen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 van de Verordening (EG) Nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen
Ontvankelijkheid
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend, zoals op grond van artikel 815 Wetboek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is vereist. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
De man heeft een concept ouderschapsplan ingediend. De vrouw geeft echter aan dat het bij het mediationtraject niet gelukt is om afspraken te over [minderjarige] , dus dat het concept ouderschapsplan van de man niet kloppend is. Voor de rechtbank is voldoende gebleken dat de ouders niet in staat zijn om een voor beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal beide partijen daarom ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat zowel de vrouw als de man nevenvoorzieningen hebben gevraagd ten aanzien van [minderjarige] .
Beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man refereert zich aan de verzochte echtscheiding en verzoekt zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De rechtbank past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) Nederlands recht toe.
Beoordeling
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen, nu zij het grootste deel van de zorg over [minderjarige] heeft gehad tijdens het huwelijk. De man refereerde zich aan dit verzoek maar heeft dit later ingetrokken. Hij wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. De man geeft aan hij de dagelijkse zaken rondom [minderjarige] regelt, nu de vrouw ook te maken heeft met een taalachterstand.
Nu [minderjarige] overwegend op doordeweekse schooldagen bij de vrouw verblijft en de vrouw altijd een groot deel van de zorg voor [minderjarige] voor haar rekening heeft genomen zal de de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepalen. De rechtbank acht het (mogelijke) taalprobleem van de vrouw niet zodanig doorslaggevend dat hierdoor de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man moet worden bepaald.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II ter-verordening rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank past op grond van artikel 15 HKBV 1996 Nederlands recht toe.
Beoordeling
De ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] iedere dinsdag na school tot woensdag op school, en iedere vrijdag na school tot zondag 14:00 uur bij de man is. De rechtbank zal deze zorgregeling vastleggen nu het belang van [minderjarige] zich hier niet tegen verzet.
Ten aanzien van de vakanties- en feestdagen overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting hebben de ouders aangegeven het hier redelijk over eens te zijn en dat de vakantieregeling kan worden overgenomen zoals deze staat in het concept ouderschapsplan van bijlage 1. De rechtbank zal de verdeling van de vakanties- en feestdagen ook op die manier vastleggen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde ( [minderjarige] ) haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum vaststellen op de datum van de beschikking, te weten 26 november 2024.
Behoefte van [minderjarige]
De hoogte van de behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, als neergelegd in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen.’
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De advocaat van de vrouw heeft naar voren gebracht dat bij het berekenen van de behoefte moet worden uitgegaan van het huidige besteedbare inkomen van de ouders omdat zij nog steeds samenwonen. De advocaat van de man heeft dit betwist. De man betaalt alle lasten en de vrouw draagt daar € 500,- per maand aan bij, zoals ook is overwogen in de beschikking van de voorlopige voorzieningen van 18 oktober 2023.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw en zal rekenen met de tarieven 2023-II. De rechtbank overweegt hiertoe dat hoewel de ouders nog samen in de echtelijke woning verblijven, sinds halverwege 2023 geen gemeenschappelijke huishouding meer wordt gevoerd.
Voor de berekening van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.681,- bruto per maand in 2023, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, zoals blijkt uit de salarisspecificatie.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.750,- per maand.
Voor de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van:
een Wajong-uitkering van € 11.495,- in 2023, gebaseerd op de jaaropgave 2022;
een inkomen van € 23.000,- bruto in 2023 als beveiligingsmedewerker, gebaseerd op het jaarloon BT van de salarisstrook van januari 2023;
een inkomen van € 5.666,- bruto in 2023 als steward, gebaseerd op het jaarloon BT van de salarisstrook van augustus 2023.
De rechtbank merkt hierbij op dat wegens het gebrek aan volledige inkomensgegevens, de rechtbank zal rekenen met inkomensgegevens uit verschillende jaren.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.676,- per maand.
Het NBGI van de ouders bedraagt dus (1.750 + 2.676 =) € 4.426,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben de ouders recht op een kindgebonden budget van € 33,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Dit komt neer op een NBGI van (1.750 + 2.676 + 33 =) € 4.559,- per maand.
Op basis van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ gevoegd bij het ten aanzien van één kind toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert dit een behoefte van [minderjarige] op van € 623,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 662,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen.
De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2024 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,-).
Draagkracht van de man
Voor de berekening van de man gaat de rechtbank – net als bij de behoefte – uit van dezelfde inkomensbronnen: te weten een inkomen uit Wajong-uitkering, als beveiligingsmedewerker en steward. Met de volgende bedragen zal de rechtbank dan ook rekening houden:
- een Wajong-uitkering van € 1.051,- bruto per maand in 2024, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, gebaseerd op de uitkeringsspecificatie van juni en juli 2024;
een inkomen van € 25.000,- bruto in 2024 als beveiligingsmedewerker, gebaseerd op het jaarloon BT van de salarisstrook van juni 2024.
een inkomen van € 5.356,- bruto in 2024 als steward, gebaseerd op het jaarloon BT van de salarisstrook van juli 2024.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Tussen de ouders is verder in geschil in hoeverre rekening moet worden gehouden met de schulden. De man voert aan dat er sprake is van aflossing van verschillende gemeenschapsschulden waarbij hij per maand ongeveer € 968,- per maand aflost. De man stelt dat met dit bedrag rekening moet worden gehouden. De vrouw is het hier niet mee eens. Bij de voorlopige voorzieningenprocedure is afgesproken dat de man de schulden aflost.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft in zijn verweerschrift van 3 januari 2024 onder kopje 18 een overzicht van de schulden opgevoerd, waarbij de maandelijkse aflossing circa € 968,- bedraagt, zoals volgt uit de daarbij gevoegde producties 9 tot en met 22. De rechtbank is gebleken dat het om schulden gaat met betalingsregelingen die op de datum van deze beschikking volgens de betalingsregelingen reeds zijn afgelost. De vrouw heeft dit ook betoogd. Namens de man is er geen actuele stand van zaken van de betalingsregelingen ingediend en is volstaan met een enkel bankafschrift. Die betalingsregelingen hebben ten grondslag gelegen aan de in de voorlopige voorzieningenprocedure gemaakte afspraken tussen partijen. Onderdeel van die afspraken was dat de man vooralsnog geen alimentatie zou betalen en dat de vrouw € 500,- per maand bijdraagt aan de (woon)kosten. Deze schulden komen daarom nu niet meer in aanmerking bij het berekenen van de draagkracht van de man.
Ten aanzien van de schuldbekentenis van de heer [naam 2] overweegt de rechtbank als volgt. Uit deze schuldbekentenis blijkt dat er een betalingsverplichting voor de man is van 5,5% rente per jaar.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man – met ingang van datum beschikking, te weten 26 november 2024 – € 117,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige] aan de vrouw moet voldoen.
Aanhechten beschikking
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van de man. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Beoordeling
De man en de vrouw hebben beiden een verzoek gedaan om toedeling van het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning in [plaats 2] . Nu zowel de man als de vrouw in deze woning willen blijven wonen, zal de rechtbank hierna een belangenafweging maken.
De man en de vrouw hebben in de voorlopige voorzieningenprocedure afgesproken dat zij beiden in de echtelijke woning blijven. Het is de vrouw tot op heden niet gelukt om een andere passende huurwoning te vinden. De situatie is hierdoor onhoudbaar geworden omdat partijen sinds 2022 nu gescheiden in dezelfde woning wonen. De vrouw heeft gesteld dat de man bij zijn familie of nieuwe vriendin terecht kan. De vrouw heeft geen familie in Nederland en zou dan met [minderjarige] op straat komen te staan. De man betwist dit, zijn ouders moeten zorgen voor een gehandicapt broertje en zijn nieuwe vriendin woont nog thuis. De vrouw heeft daartegen ingevoerd dat het gehandicapte broertje in een instantie verblijft en alleen sporadisch in de weekenden bij de ouders van de man is.
De rechtbank zal bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegekend, en overweegt daartoe als volgt. Zoals hierboven is bepaald is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie verre van ideaal is, heeft de man meer mogelijkheden voor een tijdelijke en passende woonruimte dan de vrouw. De vrouw heeft geen familie in Nederland. De rechtbank zal bepalen dat de man tot twee maanden na ontbinding van het huwelijk in de woning mag blijven.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft zij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Partijen zijn gehuwd op [dag] 2015 in Rhode Island (Amerika). Dit betekent dat het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (HHV 1978) van toepassing is. Partijen hebben geen rechtskeuze uitgebracht voor of tijdens het huwelijk. Het toepasselijk recht moet daarom worden bepaald aan de hand van artikel 4 HHV 1978.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Amerikaanse nationaliteit. Partijen hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit waardoor artikel 4 lid 1 HHV 1978 van toepassing is. Uit dit artikel volgt dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door de eerste huwelijksdomicilie. Dit is het land waar partijen na de huwelijkssluiting zijn gaan samenwonen.
De vrouw stelt dat partijen na de huwelijkssluiting een jaar in Rhode Island hebben gewoond. De man heeft dit bevestigd. Daarnaast volgt uit een uittreksel van de Basisregistratie Personen dat de man zich op 1 oktober 2015 heeft ingeschreven op een briefadres in Nederland en op 1 oktober 2016 opnieuw in een woonadres in [plaats 3] . Op ditzelfde adres heeft de vrouw zich op 17 januari 2017 ingeschreven. De rechtbank komt op basis van het bovenstaande tot het oordeel dat de eerste huwelijksdomicilie van partijen in Rhode Island is geweest. Dit betekent dat het recht van Rhode Island van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, nu er geen sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 7 HHV 1978.
Omvang
Partijen zijn het erover eens dat er geen goederen zijn die moeten worden verdeeld. De man heeft daarnaast gesteld dat er diverse schulden in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen. De vrouw heeft dit betwist.
Beoordeling
De vrouw stelt dat het recht van Rhode Island van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Uit dit recht volgt – volgens de vrouw – dat er geen enkele gemeenschap zal ontstaan en dat ieder gehouden is de schulden op de eigen naam te voldoen. Alle schulden voor het huwelijk moeten buiten beschouwing blijven. De man is het ermee eens dat het recht van Rhode Island van toepassing is, maar stelt zich op het standpunt dat de beide echtgenoten draagplichtig zijn voor de huwelijksschulden.
De rechtbank heeft op de zitting met de advocaten afgesproken dat zij zich binnen twee weken nader uitlaten over het recht van Rhode Island en hoe er naar dit recht met schulden moet worden omgegaan.
Op basis van de nagezonden stukken van partijen overweegt de rechtbank als volgt.
Rhode Island is een ‘equitable distribution’ staat waarbij alleen bezittingen die tijdens het huwelijk zijn verkregen in de verdeling worden betrokken, voorhuwelijkse bezittingen blijven privé. Volgens de wetten van Rhode Island moeten rechtbanken naar redelijkheid en billijkheid een verdeling van de huwelijksbezittingen -waartoe naar het recht van Rhode Island ook de schulden worden gerekend- bepalen. Daarbij staat niet per se vast dat het gaat om een 50/50 verdeling. De rechtbank moet bij het vaststellen van het percentage van de verdeling, de volgende omstandigheden in overweging nemen: ‘economic misconduct’ oftewel verspilling, de inkomenspositie van de echtgenoten en de bijdrage tijdens het huwelijk.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man tijdens het huwelijk onnodig schulden heeft gemaakt en heeft laten oplopen. Hierdoor heeft de man geld verspild en uitgegeven aan andere vrouwen, aldus de vrouw. Op basis van het recht van Rhode Island is het gedrag van de man tijdens het huwelijk daarbij doorslaggevend in de verdeling van de huwelijksschulden.
De man betwist dit. Hij stelt dat er sprake is van gezamenlijke schulden die zijn aangegaan tijdens het huwelijk. De man stelt dat er geen aanwijzingen zijn om waaruit blijkt dat beide echtgenoten niet voor de helft verantwoordelijk zijn voor de huwelijksschulden.
De rechtbank overweegt dat zij alleen een beslissing kan geven over de verdeling van de draagplicht tussen partijen onderling. De rechtbank moet dan het recht van Rhode Island in aanmerking nemen, waarbij de inkomenspositie van partijen, de bijdrage in het huwelijk en verspilling (economic misconduct) meewegen in de vast te stellen redelijke verhouding. De rechtbank begrijpt dat de vrouw heeft willen betogen dat zij niet aansprakelijk is voor de schulden van de man. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw deze misdragingen dan wel verspilling gedurende het huwelijk onvoldoende heeft aangetoond. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank wel op dat zij niet aan de indruk ontkomt dat de man – waarschijnlijk samenhangend met zijn NAH en ondanks dat hij hulp ontvangt– moeite heeft met het beheren van zijn financiën. De rechtbank gaat echter niet zo ver dat het gaat om moedwillige verspilling. Gedurende het huwelijk -dat negen jaar heeft geduurd- zijn beide echtgenoten namelijk gezamenlijk verantwoordelijk voor de financiën. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere verdeling vast te stellen dan dat beide echtgenoten voor de helft verantwoordelijk zijn voor de huwelijksschulden.
De rechtbank maakt bij de bepaling dat partijen in de interne verhouding beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden echter een uitzondering voor de schulden die hiervoor bij de vaststelling van de kinderalimentatie zijn besproken en verwijst weer naar het verweerschrift van de man van 3 januari 2024 onder kopje 18. De reden daarvoor is dat de man in de voorlopige voorzieningenprocedure afspraken met de vrouw heeft gemaakt deze schulden voor zijn rekening te nemen.
Dictum
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [dag] 2015 in [plaats 1] , Rhode Island (Amerika);
*
bepaalt dat de minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt als zorgregeling dat [minderjarige] bij de man zal verblijven:
- iedere dinsdag na school tot woensdag op school, alsmede iedere vrijdag na school tot zondag 14:00 uur;
*
bepaalt als vakantieregeling zoals opgenomen in het concept ouderschapsplan, te weten:
zomervakantie: in de even jaren heeft de man eerste keus, in de oneven jaren de vrouw;
herfstvakantie: in de even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
kerstvakantie: in de even jaren (inclusief de kerstdagen) de eerste week bij de vrouw en de tweede week (inclusief Oud en Nieuw) bij de man, in de oneven jaren andersom;
voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
meivakantie: in de even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
Goede vrijdag en Pasen: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
Hemelvaartsdag en Pinksteren: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
Koningsdag: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
Sinterklaas: bij de man;
Vaderdag: bij de man;
Moederdag: bij de vrouw;
verjaardag [minderjarige] : in de even jaren bij de man en de oneven jaren bij de vrouw, inclusief de nacht ervoor en erna;
studiedagen school: conform de zorgregeling;
andere feestdagen: in de even jaren bij de man en de oneven jaren bij de vrouw;
*
bepaalt de door de man, met ingang van de datum van de beschikking, te betalen aan de kinderalimentatie aan de vrouw op € 117,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van twee maanden na de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats 2] ;
*
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de huwelijksschulden voor zijn/haar rekening dienen te nemen, met uitzondering van de schulden waarover partijen in de voorlopig voorzieningenprocedure hebben afgesproken dat de man deze voorzijn rekening zou nemen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 november 2024.