Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:23697
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,817 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Leiden
Rolnr.: 11142221 EL 24-9
Datum: 12 december 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
inzake
[partij A] , pro se en in haar hoedanigheid van erfgename van [naam] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [partij A] en Dexia genoemd. [naam] wordt hierna erflater genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 mei 2024;
de incidentele vordering ex artikel 843a Rv, tevens houdende een conclusie van antwoord in de hoofdzaak;
de conclusie van repliek in de hoofdzaak;
de conclusie van dupliek in de hoofdzaak.
1.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
2
Feiten
2.1.
Erflater heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij en [partij A] als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer]
15-9-2000
Profit Effect
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
18-9-2006
- € 3.966,85
Nee
2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft erflater op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 4.594,26 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft erflater € 688,86 aan dividenden ontvangen en € 362,56 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft € 200,92 aan dividenden verrekend.
2.4.
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 16 maart 2006 namens erflater de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
2.5.
Erflater is op [datum] 2016 overleden. [partij A] is zijn (enige) erfgename.
2.6.
Bij brief van 22 april 2024 heeft de gemachtigde van [partij A] Dexia een laatste kans geboden alle door erflater betaalde bedragen aan [partij A] te betalen.
3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het incident
3.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
- voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
- Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [partij A] bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,
- Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] van al datgene dat [partij A] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
- voor recht zal verklaren dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
- Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A] met rente,
- Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten met rente.
3.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Zij stelt daarnaast een incidentele vordering, waarin zij vordert [partij A] ex artikel 843a Rv te veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4
Beoordeling
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van Dexia is dat [partij A] niet ontvankelijk moet worden verklaard. De overeenkomst is met erflater gesloten en hij heeft ook de volledige inleg betaald. [partij A] was tot maart 2006 niet bekend met de overeenkomst. [partij A] heeft dus zelf geen schade geleden. Op de stellingen van [partij A] voert Dexia aan dat het juist is dat op naam van [partij A] een BKR registratie heeft plaatsgevonden, maar dit is louter een administratieve handeling die Dexia diende te doen naar aanleiding van de onbetaald gelaten restschuld. Dit betekent niet dat [partij A] schade heeft geleden. Het is ook juist dat Dexia haar heeft aangesproken op de betaling van de restschuld, maar deze is niet opeisbaar. Dexia vordert deze dan ook niet in deze procedure. [partij A] heeft zelf dus geen vorderingsrecht. Als erfgename heeft [partij A] ook geen vorderingsrecht, omdat erflater in 2003 het Dexia Aanbod heeft getekend. Erflater heeft op dat moment afstand gedaan van zijn vorderingsrecht, zodat de nalatenschap thans geen vordering meer heeft op Dexia, aldus – steeds – Dexia.
4.2.
[partij A] voert aan dat, nu de overeenkomst ook op haar naam stond, zij ook begunstigde was van de overeenkomst. De door erflater gedane betalingen moeten dan ook gezien worden als gift aan [partij A] , zodat zij wel schade heeft geleden. Daarbij spreekt Dexia haar buitengerechtelijk aan voor de betaling van de restschuld. Tot slot staat de schuld aan Dexia geregistreerd op naam van [partij A] bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel. Het belang van een beslissing op de vorderingen voor [partij A] en de nalatenschap is er ook als er enkel een natuurlijke verbintenis resteert. Met dat oordeel kan [partij A] zich verweren tegen de stelling van Dexia dat de restschuld nog dient te worden betaald. Het Dexia Aanbod is ongeldig. In de bepalingen is immers opgenomen dat het ongeldig is als [partij A] het Dexia Aanbod niet mede zou ondertekenen. Dat heeft ze niet gedaan.
4.3.
De kantonrechter overweegt dat tussen partijen vaststaat dat [partij A] medecontractant was bij de overeenkomst, zodat het eindresultaat van de overeenkomst ook aan of ten laste van haar zou zijn gekomen. Daarbij is door Dexia niet weersproken dat [partij A] thans een registratie bij het Bureau Kredietregistratie heeft staan ten gevolge van het resultaat uit die overeenkomst. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [partij A] daarmee een vorderingsrecht heeft (in persoon) op Dexia. Als erfgename heeft zij ook een vorderingsrecht. Tussen partijen staat immers vast dat [partij A] het Dexia Aanbod niet heeft ondertekend. Dexia heeft niet weersproken dat uit de bepalingen van het Dexia Aanbod volgt dat in dat geval het Dexia Aanbod niet tot stand komt.
4.4.
De kantonrechter acht [partij A] dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
Verjaring
4.5.
Vervolgens stelt Dexia dat de vordering is verjaard, nu tot de brief van 22 april 2024 er geen brief uit naam van [partij A] aan Dexia is gestuurd. Alle eerdere stuitingshandelingen zijn alleen namens erflater gedaan en niet namens [partij A] of erfgenamen van erflater. Dexia heeft Leaseproces tot 2024 dan ook niet als gemachtigde van [partij A] beschouwd. [partij A] heeft Leaseproces pas in 2024 gemachtigd en op dat moment is ook aan Dexia gemeld dat erflater was overleden. Erflater is overleden op [datum] 2016, zodat de gemachtigde van [partij A] uiterlijk in 2017 de verjaring van de vordering nog kon stuiten uit naam van erflater. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [partij A] al in 2021 zijn verjaard. Bekrachtiging is niet meer mogelijk, omdat Dexia het handelen van Leaseproces in 2023 al ongeldig heeft verklaard. Het beroep op zaakwaarneming kan niet slagen, nu [partij A] zelf haar belangen had kunnen waarnemen.
4.6.
[partij A] voert aan dat er vanaf 16 maart 2006 brieven zijn verstuurd aan Dexia, zodat Dexia rekening diende te houden met een nog openstaande vordering van erflater en [partij A] . Dexia heeft in 2022 vervolgens een gesprek met [partij A] gevoerd, waarin het overlijden van erflater is vermeld. Dexia heeft in die periode tot aan 2023 de volmacht aan Leaseproces van erflater of [partij A] ook nooit in twijfel getrokken. Leaseproces heeft in 2009, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2021 algemene stuitingsbrieven gestuurd namens al haar cliënten en hun erfgenamen. Dexia had dus moeten begrijpen dat Leaseproces ook namens [partij A] handelde. Daarbij heeft [partij A] bij haar volmacht de door Leaseproces gedane stuitingshandelingen ook bekrachtigd, aldus – steeds – [partij A] . Mocht de kantonrechter ervan uitgaan dat Leaseproces niet mede namens [partij A] handelde doet [partij A] een beroep op zaakwaarneming.
4.7.
Tussen partijen staat vast dat [partij A] Leaseproces tot in 2024 niet had gevolmachtigd om voor haar op te treden. Ook staat vast dat erflater Leaseproces wel had gevolmachtigd en dat hij in 2016 is overleden, zodat Leaseproces tot uiterlijk in 2017 stuitingshandelingen namens hem kon verrichten.
4.8.
Nu er tot in 2024 geen brieven zijn gestuurd op naam van [partij A] , terwijl er wel brieven op naam van erflater zijn gestuurd met betrekking tot de overeenkomst had Dexia, naar het oordeel van de kantonrechter, er niet vanuit hoeven gaan dat Leaseproces ook namens [partij A] handelde. Daarbij is van belang dat tussen partijen vaststaat dat erflater de overeenkomst is aangegaan met de rechtsvoorgangster van Dexia, hij alle inleg heeft betaald, hij de incassomachtiging heeft stopgezet en er dus voor het overlijden van erflater geen contact was tussen Dexia en [partij A] , behalve de brief uit 2006 waarin [partij A] verklaart niet eerder bekend te zijn geweest met de overeenkomst en de overeenkomst opvraagt. De daarna door Leaseproces verzonden sommatiebrief en volmacht stonden alleen op naam van erflater, terwijl [partij A] op dat moment ook op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomst. De door Leaseproces in de jaren 2006 tot en met 2021 verzonden algemene stuitingsbrieven kunnen niet tot een ander oordeel leiden, nu ook daaruit niet volgt dat [partij A] Leaseproces op enig moment heeft gevolmachtigd of dat Leaseproces op enig moment namens de erfgenamen is gaan handelen omdat erflater was overleden.
4.9.
Vervolgens stelt [partij A] dat zij de stuitingshandelingen heeft bekrachtigd met haar in 2024 afgegeven volmacht. Dit was, gelet op het bepaalde in artikel 3:69 lid 3 BW, echter niet meer mogelijk, nu Dexia in 2023 al de stuitingshandelingen van Leaseproces als ongeldig heeft aangemerkt wegens het ontbreken van een volmacht.
4.10.
Tot slot doet [partij A] een beroep op zaakwaarneming. Voor zaakwaarneming ex artikel 6:198 BW bestond geen redelijke grond. Leaseproces stond immers in contact met erflater tot aan zijn overlijden, zodat het op haar weg had gelegen contact te zoeken met de erfgenamen en na te gaan of zij de (buitengerechtelijke) procedure tegen Dexia wensten voort te zetten, hetgeen zij uiteindelijk ook heeft gedaan in 2024.
4.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat de vorderingen van [partij A] , die zien op het vergunningplichtig adviseren van erflater, verjaard zijn.
Resterende vordering van [partij A]
4.12.
Tussen partijen staat vervolgens vast dat er een BKR-registratie op naam van [partij A] staat in verband met de restschuld uit de overeenkomst. Niet is gesteld en gebleken dat [partij A] eerder dan in de aanloop naar deze procedure daarmee bekend is geraakt. Daarbij heeft Dexia in deze procedure zich pas op het standpunt gesteld dat zij de restschuld niet meer kan innen bij [partij A] , zodat daarmee ten onrechte een BKR-registratie op naam van [partij A] staat.
Dictum
De kantonrechter
in het incident
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
compenseert de proceskosten,
in de hoofdzaak
5.3.
veroordeelt Dexia om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.
5.4.
compenseert de proceskosten,
5.5.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
typ: BF