Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:23696
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,417 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.7129
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Verzijden).
Procesverloop
Met het besluit van 28 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft op 22 april 2022 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 6 juni 2022 heeft zij haar beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 9 september 2024 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam 1] (als tolk) en de gemachtigde van eiseres. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
Op 21 oktober 2024 heeft eiseres stukken aan de rechtbank toegestuurd met het verzoek die bij de beoordeling te betrekken.
(Totstandkoming van) het bestreden besluit
Het asielrelaas
1. Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2003. Zij heeft op 4 augustus 2020 een asielaanvraag ingediend.
1.1.
Eiseres legt aan haar asielaanvraag – samengevat – ten grondslag dat zij afvallig is van de islam en bekeerd is tot het christendom. Haar moeder had in Iran een Bijbel in haar winkel liggen en las hier van tijd tot tijd in. Toen zij werd weggeroepen door een directeur van de nabijgelegen opvang, liet de moeder van eiseres de winkel aan [naam 2] over. [naam 2] vond de Bijbel en begon erin te lezen. Toen de moeder van eiseres terugkwam, vertelde [naam 2] dat ze er zelf ook meer over wilde weten en leren. De moeder van eiseres heeft toen gezegd dat als zij zelf iets zou leren uit de Bijbel, zij dat aan [naam 2] zou vertellen. Na een tijdje werd de moeder van eiseres bedreigd door de vader van [naam 2], [naam 3]. Hij heeft de Bijbel bij [naam 2] aangetroffen en stelde dat de moeder van eiseres aan [naam 2] moest vertellen dat het allemaal een leugen is, waarmee de moeder van eiseres niet akkoord ging. [naam 3] bedreigde vervolgens de moeder van eiseres: “Zoals jij mijn dochter van mij hebt afgepakt, pak ik jouw dochter van jou af.” De volgende dag is eiseres samen met haar moeder en broertje uit Iran vertrokken naar Turkije. In Turkije hoorde eiseres dat er een inval was gedaan in haar huis in Iran. Tijdens haar verblijf in Turkije zag eiseres een enorme verandering in de houding en het gedrag van haar moeder, wat eiseres toeschrijft aan de bekering van haar moeder tot het christendom. Eiseres ging op een gegeven moment ook mee naar de kerk. Zij kreeg meer interesse in het christendom en stelde dat ze voor een keuze stond, daarbij maakte ze de afweging tussen enerzijds de islam waarmee zij is opgegroeid en anderzijds het christendom. Zij heeft toen voor het christendom gekozen. Ook wilde eiseres gedoopt worden, maar omdat daartoe geen mogelijkheid was, heeft de voorganger voor haar een verlossingsgebed gedaan. Gelet op de combinatie van het voorgaande vreest eiseres dat zij bij terugkeer naar Iran gevaar loopt en dat zij zal worden onderworpen aan de islamitische regels van dat land.
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- bekering tot het christendom;
- bedreiging door [naam 3].
2.1.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De bekering tot het christendom (element 2) heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. De problemen met [naam 3] (element 3) acht verweerder, mede gelet op de ongeloofwaardig geachte bekering, evenmin geloofwaardig. Verweerder stelt ook dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran problemen zal ondervinden vanwege het niet praktiseren van de islam. Er is volgens verweerder geen grond om eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000.
Beoordeling
Inleiding
3. Eiseres stelt dat zij is bekeerd vanwege de gedragsverandering van haar moeder en de afweging die zij zelf maakte tussen de islam en het christendom. Zij stelt duidelijk te hebben uitgelegd dat de vrijheden van de vrouw in het christendom, afgezet tegen de onderdrukking van vrouwen die zij heeft ervaren in de islam, een belangrijk motief voor haar bekering vormen. Verder stelt zij voldoende te hebben toegelicht hoe zij zich in Turkije in het christendom verdiepte en dat zij inzichtelijk heeft gemaakt wat haar bekering haar heeft opgeleverd, omdat dit proces onderdeel was van haar zoektocht naar het leren kennen van haar God. Zij betoogt dat verweerder ten onrechte van haar verwacht dat ze nog uitgebreider inzichtelijk maakt hoe zij in aanraking is gekomen met het christendom en hoe haar interesse hiervoor is gewekt. Dat zij zich als kind in Iran niet bezighield met God of religie, klopt niet. Zij was ook in Iran op zoek naar God, maar wat de islam leerde over de positie van de vrouw sprak haar niet aan. Dat gold ook voor andere aspecten van de islam. Zij had zich vanwege deze negatieve kijk op de islam al afgewend van die godsdienst voordat zij in aanraking kwam met het christendom. Eiseres betoogt verder dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar leeftijd op het moment van de bekering en de gehoren. De verwachting dat zij nog uitgebreider kan uitleggen hoe zij omstreeks haar veertiende tot een keuze voor het christendom is gekomen, vindt eiseres onrealistisch.
Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de bekering ongeloofwaardig is
3.1.
Verweerder stelt dat eiseres onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar motieven voor en proces van bekering. Haar verklaringen hierover zijn volgens verweerder algemeen en oppervlakkig en op sommige punten vaag en ongerijmd. Ook haar verklaringen over de andere elementen van haar bekering overtuigen verweerder niet.
3.2.
Bij de beoordeling van bekeringszaken past verweerder werkinstructie 2022/3 toe. Volgens deze werkinstructie is het aan de vreemdeling om inzichtelijk te maken wat haar situatie was voor de bekering, hoe zij vervolgens in aanraking is gekomen met een andere geloofsovertuiging, hoe de bekering verder tot stand is gekomen en wat het effect daarvan is. Om de geloofwaardigheid van een bekering te toetsen, richt verweerder zich op drie elementen, te weten: de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging. De verklaringen van de vreemdeling over deze drie elementen moeten bezien worden in onderlinge samenhang, maar ook in het licht van de overige omstandigheden, zoals de verdere verklaringen van de vreemdeling. Dit betekent dat verweerder een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling maakt, waarin alle informatie uit het dossier wordt betrokken en waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres over de motieven en het proces van bekering onvoldoende inzichtelijk zijn en niet overtuigen. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom hij de verklaringen van eiseres onvoldoende concreet en persoonlijk vindt, in aanmerking genomen de leeftijd van eiseres tijdens haar bekeringsproces en het nader gehoor.
Eiseres heeft uitgelegd dat zij zowel met de islam als het christendom heeft geleefd. De islam ging volgens haar gepaard met haat en agressie, wat zij in het christendom niet tegenkwam. Zij zag bovendien dat je bij de islam om de aandacht van God te verdienen allerlei dingen moest doen en allerlei regels moest volgen, wat volgens eiseres niet zo is in het christendom. Zo verklaarde zij over het christendom als volgt: “God komt naar jou en dan gaat hij rechtstreeks met je praten” en “Al die narigheid bij de islam, de onderdrukking. Je moest het allemaal goed doen, ik voelde me verlost van al die verplichtingen” (p. 12 NG). Zij verklaarde over de islam: “Ik moest een taal [Arabisch; opmerking rechtbank] leren, om vervolgens met een God te communiceren die allerlei dingen van mij verwacht, maar mijn taal [Farsi; opmerking rechtbank] niet snapt […]” (p. 24 NG). Eiseres verklaart daar uitgebreid over haar vragen en gedachten “tijdens mijn periode van belijdenis van de islam”. Eiseres doet dat ook verderop in het gehoor: “Ik ben opgegroeid in een islamitische maatschappij. Om die God tevreden te houden, moet je bij hem bedelen. Je moet je naar hem toe richten. […]. En iedere keer, als ik met deze God in contact wil komen, moet ik mijzelf ritueel reinigen, want ik ben anders niet waardig genoeg om in een keer met de God in contact te komen […]”. Zij verklaart vervolgens: “In Turkije kwam ik in aanraking met een ander geloof. Ik leerde iets over het geloof. Ik hoorde dat de God van dat geloof zei: “Ik kom naar jou toe. Ik ga mijzelf opofferen voor jou.” Je hoeft hem niet op bepaalde tijdstippen te aanbidden. Je kan komen wanneer het jou uitkomt, wanneer jij wil. Dat zijn de grondslagen geweest van mijn afweging.” (p. 29 NG). Daarnaast verklaarde eiseres: “Automatisch interesseert mij de positie van de vrouw binnen de islam. Dan kom je van een koude kermis thuis, want er zijn niet zo veel rechten voor de vrouw […]”. Ook verklaart eiseres dat zij, naarmate zij ouder werd, er al gauw achter kwam dat mannen meer rechten hadden dan vrouwen in de islam. Dit vergeleek zij met de positie van mannen en vrouwen in het christendom, die volgens haar gelijkwaardig is (zie p. 24, 25 en 30 NG). Verweerder heeft onvoldoende toegelicht waarom deze verklaringen volgens hem onvoldoende zijn om aan te nemen dat een kind in de leeftijd van eiseres interesse heeft ontwikkeld in een andere religie en om vervolgens een afweging te maken tussen enerzijds een geloof dat – volgens haar – de mogelijkheid biedt om vrij te zijn en vrij te denken en anderzijds een geloof dat vrouwen volgens eiseres onderdrukt.
Verweerder heeft aanvankelijk overwogen dat uitgebreider inzicht mag worden verwacht in het bekeringsproces van eiseres naar het christendom, omdat zij zich eerder niet met God of religie bezighield. In het bestreden besluit heeft verweerder echter, anders dan in het voornemen, aannemelijk geacht dat eiseres in Iran de islam heeft aangehangen. Eiseres heeft ook uitvoerig verklaard over haar zoektocht in die periode. Het argument van verweerder dat eiseres zich eerder niet met God of religie bezighield en dat zij om die reden uitvoeriger had moeten verklaren, is daarmee niet langer geldig.
Verder heeft verweerder niet duidelijk uitgelegd waarom eiseres uitgebreider had moeten toelichten wat de verandering die zij zag in het gedrag van haar moeder voor haar persoonlijk betekende. Eiseres stelt dat deze verandering een van de redenen was die haar belangstelling voor het christendom hebben gewerkt, naast andere persoonlijke afwegingen over de voordelen die het christendom volgens haar heeft ten opzichte van het praktiseren van de islam. Het is niet onvoorstelbaar dat een kind interesse ontwikkelt in de (nieuwe) religie van haar moeder wanneer zij ervaart dat haar moeder aardiger, liefdevoller en behulpzamer is geworden sinds het vertrek uit Iran, waarvan eiseres ook concrete voorbeelden heeft gegeven.
Mede gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de beoordeling onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de jonge leeftijd van eiseres tijdens haar bekeringsproces. Verweerder wijst er terecht op dat tijdens de gehoren rekening is gehouden met de leeftijd van eiseres en omstandigheden zoals haar vermoeidheid, reden waarom het nader gehoor is afgebroken en op een later datum is voortgezet. Dat wil echter nog niet zeggen dat verweerder ook bij de weging van de verklaringen van eiseres voldoende aandacht heeft besteed aan haar leeftijd.
Dictum
De rechtbank:
- verzoekt verweerder om binnen twee weken na deze uitspraak kenbaar te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen;
- verzoekt partijen om, als verweerder van deze gelegenheid gebruik maakt, te handelen zoals vermeld in 4.3;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Beoordeling
Eiseres heeft over verschillende onderwerpen uitvoerig en persoonlijk verklaard en verweerder acht de verklaringen van eiseres over haar afwending van de islam blijkbaar wél voldoende persoonlijk (p. 9 bestreden besluit). Niet zonder meer valt in te zien dat eiseres over haar gevoelens ten opzichte van de islam meer, diepgaander of persoonlijker heeft verklaard dan over haar gevoelens ten opzichte van het christendom. Overigens heeft eiseres tijdens het nader gehoor aangegeven bescheiden te zijn, dat zij vaak onderzoek deed voor zichzelf en het verder aan niemand vroeg (of erover heeft gesproken), waarbij zij haar eigen afwegingen maakte in haar hoofd en dat zij het moeilijk vindt om haar gevoel onder woorden te brengen of te laten merken (zie p. 12 en 13 NG). Ter zitting verklaarde eiseres dat er mensen zijn die hun gevoelens met veel mooie woorden duidelijk kunnen maken, maar zij is niet zo.
Alles in samenhang bezien heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de bekeringsmotieven van eiseres niet overtuigen en heeft hij onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres.
3.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat de stelling van verweerder dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt wat haar bekering haar uiteindelijk heeft opgeleverd onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres heeft verklaard dat zij barmhartiger, rustiger en hoopvoller is geworden en het gevoel heeft dat zij nooit alleen is (p. 31 en 34 NG). Zij heeft ook verklaard over het verlossingsgebed, dat voor haar voelde alsof de ‘oude’ [eiseres] weg was en de ‘nieuwe’ [eiseres] kwam. De nieuwe [eiseres] volgt niet blindelings alles en kiest zelf met haar hart en verstand. De nieuwe [eiseres] wil graag liefde geven, behulpzaam zijn en anderen kunnen vergeven. Hoewel de oude [eiseres] geen verkeerd mens was, vertoonde zij dergelijk gedrag niet vanuit zichzelf (zie p. 20 NG). De rechtbank ziet, met inachtneming van de leeftijd van eiseres, geen reden waarom zij volgens verweerder met deze verklaring blijft steken in verklaringen van vage aard. Eiseres maakt bovendien een persoonlijke koppeling naar hoe het christendom deze verandering teweeg heeft gebracht, omdat de nieuwe [eiseres] de Bijbel heeft gelezen, naar de kerk is geweest, ook over het christelijk geloof heeft gelezen – via online informatie ten tijde van corona – en om is gegaan met anderen en ook bij hen veranderingen heeft gezien. Daarbij merkt eiseres op dat het verlossingsgebed in de Bijbel staat en dat zij zich niet meer herinnert wat er precies werd gezegd, maar dat zij zich wel het gevoel herinnert dat zij op dat moment heeft ervaren. Dat gevoel heeft eiseres ook omschreven. Verweerder heeft onvoldoende toegelicht dat eiseres desondanks meer had moeten kunnen verklaren over de precieze inhoud van het gebed.
3.5.
Verder stelt verweerder dat eiseres met haar verklaringen omtrent haar kennis en activiteiten betreffende het christendom niet weet te overtuigen. De rechtbank overweegt dat eiseres op zijn minst blijk heeft gegeven van basale kennis van het christendom, waarbij ook haar leeftijd in aanmerking moet worden genomen. De stelling van verweerder dat eiseres geenszins inzichtelijk heeft gemaakt wat deze kennis voor haar persoonlijk heeft betekend, kan zonder nadere motivering geen stand houden. Zo legt eiseres uit welke kernwaarde van het christendom haar aanspreekt: “Ik vind naastenliefde, liefde uitdragen naar andere mensen, elkaar helpen, dat leidt uiteindelijk tot meer energie. Zonder enige verwachting iemand helpen, dat geeft echt een kick aan mij. Daar word ik blij van” en over wat dat voor betekent verklaart zij: “Als iedereen elkaar helpt, komt dit ten goede van een betere wereld van ons allemaal” (p. 33 NG). Eiseres benoemt ook het Bijbelverhaal van de vijf broden en twee vissen, dat haar aanspreekt omdat zij op haar reis van Turkije naar Griekenland vijf dagen zonder eten en drinken heeft gezeten (p. 36 NG). Ze stelt bijna te zijn vergaan van honger en dorst, een klok van de kerk te hebben gehoord, te zijn blijven bidden tot God en een paar uur later eten en drinken te hebben gekregen. Verweerder heeft deze verklaringen niet in twijfel getrokken. Gelet hierop ziet de rechtbank niet in waarom eiseres onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat haar kennis, christelijke waarden en verhalen voor haar persoonlijk betekenen. Ter zitting heeft eiseres verder verklaard over haar activiteiten in Nederland; zij gaat naar de kerk en uit zich ook op sociale media over haar geloof.
Verweerder had de gestelde afvalligheid als afzonderlijk asielmotief moeten beoordelen
3.6.
Verweerder stelt verder dat de afvalligheid van eiseres in rechtstreeks verband staat met de gestelde bekering, er is dus sprake van slechts één proces. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de gestelde afvalligheid en bekering van een vreemdeling alleen als afzonderlijke asielmotieven moeten worden beoordeeld als uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat de motieven voor, en het moment van afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn van de bekering.
3.7.
De rechtbank overweegt het volgende.
Als verweerder blijft bij zijn standpunt dat de bekering van eiseres niet geloofwaardig is, zal hij de afvalligheid van eiseres, los van haar bekering tot het christendom, alsnog als afzonderlijk asielmotief moeten beschouwen. Verweerder erkent in het bestreden besluit dat eiseres de islam heeft aangehangen. Dat zij enkel afstand zou hebben genomen van de islam ten gunste van het christelijk geloof is naar het oordeel van de rechtbank een te eenzijdige conclusie. Eiseres erkent dat haar afvalligheid en bekering niet volledig los van elkaar staan en zij verklaart ook dat zij beide godsdiensten met elkaar heeft vergeleken, maar dat betekent nog niet dat sprake is geweest van één proces. Er kan een onderscheid in twee fasen worden afgeleid uit de verklaringen van eiseres, namelijk een fase van afvalligheid in Iran en vervolgens een fase van bekering in Turkije. Voordat eiseres zich bekeerde, heeft zij de islam en het christendom met elkaar vergeleken. Verweerder maakt bovendien ook zelf een duidelijk onderscheid tussen de afvalligheid en de bekering, want hij vindt de verklaringen van eiseres over haar afwending van de islam wel voldoende persoonlijk en blijkbaar ook overtuigend (p. 9 bestreden besluit), maar haar verklaringen over haar bekering tot het christendom niet. Uit de verklaringen van eiseres komt duidelijk naar voren dat zij de islam aan de kant heeft gezet, niet alleen omdat zij zich aangetrokken voelde tot het christendom. Al in Iran kon zij zich niet conformeren aan de islamitische normen en waarden van haar sociale omgeving en de autoriteiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op de weg van verweerder ligt om een individuele risicoafweging te maken als hij meent dat eiseres ondanks haar gestelde afvalligheid moet terugkeren naar Iran. Bij dit alles geldt dat het volgens het verweerschrift in lijn der verwachtingen ligt dat eiseres bij aankomst op het vliegveld in Iran gevraagd zal worden om een verklaring te ondertekenen waarin zij verklaart de islam aan te hangen. Nu eiseres afzonderlijke motieven voor afvalligheid heeft aangevoerd, kan verweerder niet volstaan met de stelling in het verweerschrift dat, omdat de bekering ongeloofwaardig is geacht, van eiseres mag worden verwacht dat zij een dergelijke verklaring zal ondertekenen. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, onder 23.2, waaruit volgt dat verweerder van een vreemdeling niet mag verlangen dat zij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij het blijk geven van geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst.
Tussenconclusie en geschilbeslechting
4. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.