Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:23688
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,049 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18615
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de Minister van Asiel en Migratie, daaronder tevens verstaan diens ambtsvoorgangers, verweerder,
(gemachtigde: mr. S. van der Steen-Jhinnoe).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 april 2024 (het bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.18616).
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2024, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening en de zaak van zijn gestelde partner [naam] (NL24.18613 en NL24.18614), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gestelde partner van eiser, de gemachtigde van eiser, A. Khabote als tolk en de gemachtigde van verweerder. Verder is de heer [naam] verschenen als toehoorder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. Hij heeft op 26 maart 2024 een asielaanvraag ingediend. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is. Hij heeft een relatie met [naam] (hierna: [naam]) en woonde doordeweeks samen met hem. Toen zijn familie er achter kwam dat hij homoseksueel is werd hij verstoten. Hij werd ook vaak op straat uitgescholden en vernederd vanwege zijn homoseksualiteit. Hij heeft daarom samen het [naam] besloten om Tunesië te verlaten.
De relevante elementen en de besluitvorming
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met familie en anderen als gevolg van seksuele gerichtheid.
Verweerder acht de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst (relevant element 1) vooralsnog geloofwaardig maar verweerder gelooft niet dat eiser door zijn seksuele geaardheid problemen ondervindt in Tunesië (relevant element 2).
5.1.
Omdat relevant element 2 niet geloofwaardig wordt geacht, wordt dit relevante element niet verder getoetst. Het geloofwaardig geachte relevante element 1 is volgens verweerder niet te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, zodat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van dat verdrag. Evenmin zijn deze relevante elementen te herleiden tot een van de situaties als vermeld in de paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zodat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt daarom volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.
5.2.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw 2000. Eiser is afkomstig uit een veilig land van herkomst zoals bedoeld in de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat Tunesië voor eiser persoonlijk niet veilig is. Daarnaast heeft eiser vermoedelijk met opzet een identiteits- of reisdocument vernietigd of weggemaakt. Dit document had kunnen helpen om zijn identiteit of nationaliteit vast te stellen. Verder heeft verweerder bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier en geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt en is aan eiser een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
De beroepsgronden en de beoordeling daarvan door de rechtbank
6. Voor zover eiser in de gronden van beroep verzoekt de zienswijze, de aanvullingen en correcties op het gehoor en de overige stukken als herhaald en ingelast te beschouwen, is de rechtbank van oordeel dat een verwijzing daarnaar onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op moet ingaan. De rechtbank richt zich dus alleen op wat eiser in zijn (aanvullend) beroepschrift concreet heeft aangevoerd en zal daar, voor zover van belang, hierna op ingaan.
Tunesië veilig land van herkomst en de behandeling van eisers asielaanvraag in spoor 2
6.1.
Voor zover eiser in beroep heeft gesteld dat Tunesië in zijn algemeenheid niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. De aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst is voortgezet bij de herbeoordeling van 8 juni 2023. Aan die herbeoordeling zijn gezaghebbende bronnen (zoals stukken van AI, HRW, USDoS en Freedom House) ten grondslag gelegd en is gemotiveerd uiteengezet dat hieruit volgt dat Tunesië (met uitzondering van een aantal groepen) nog steeds kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Verweerder heeft in de bestreden besluiten verwezen naar deze herbeoordeling. Daarmee is de besluitvorming naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Anders dan eiser stelt, is verweerder niet gehouden alle informatie die ten grondslag ligt aan deze herbeoordeling in de besluitvorming weer te geven. Eiser heeft geen landeninformatie aangedragen op basis waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat Tunesië in zijn algemeenheid niet (langer) kan worden beschouwd als veilig land van herkomst.
6.2.
Eiser stelt dat Tunesië in zijn specifieke geval niet veilig is, omdat hij onder een van de aangewezen uitzonderinggroepen valt, namelijk LHBTI’s. Volgens eiser volgt uit de brief van de Staatssecretaris van 8 juni 2023, 19637, nr. 3119, dat asielaanvragen van LHBTI’s in spoor 4 (de algemene asielprocedure) worden behandeld in plaats van in spoor 2 (verkort spoor voor asielzoekers uit veilige landen van herkomst).
6.3.
Eiser is verder van mening dat ook in zijn specifieke geval de asielaanvraag in spoor 4 had moeten worden behandeld. Dit vanwege zijn seksuele geaardheid, de daardoor ondervonden problemen in Tunesië en zijn relatie met [naam], maar ook omdat hij dan meer voorbereidingstijd zou krijgen, meer tijd zou krijgen om bijvoorbeeld steun te vinden bij LHBTI-organisaties en meer tijd zou krijgen om de zeer gecompliceerde begrippen en vraagstellingen te leren begrijpen.
6.4.
Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er, in het geval van eiser, tijdens het gehoor duidelijk sprake was van een kennelijk ongegronde asielaanvraag en dat daarom niet is gekozen voor een behandeling in spoor 4.
6.5.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat uit de brief van de staatssecretaris blijkt dat asielaanvragen van LHBTI’ers (naar de rechtbank begrijpt:) in zijn algemeenheid en al bij aanvang in spoor 4 worden behandeld. De rechtbank begrijpt de zinssnede uit de brief aldus, dat deze in lijn is bedoeld met werkinstructie 2021/14. In paragraaf 3.4 staat het volgende opgenomen: “Voor landen waarvoor geldt dat het land met uitzondering van bijvoorbeeld LHBTI’ers veilig is, geldt dat zodra duidelijk is dat de seksuele gerichtheid geloofwaardig is, óf indien niet met voldoende zekerheid een oordeel over de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid gegeven kan worden, de zaak wisselt van spoor 2 naar spoor 4.”. In de brief waarnaar eiser verwijst, spreekt de staatssecretaris namelijk ook van LHBTI’ers, wat impliceert dat de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid min of meer vaststaat.
6.6.
De rechtbank is wel met eiser van oordeel dat er sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in de besluitvorming. Daartoe wordt het volgende overwogen.
6.6.1.
In de werkinstructie 2021/14 staat het volgende opgenomen: “Voor landen waarvoor geldt dat het land met uitzondering van bijvoorbeeld LHBTI’ers veilig is, geldt dat zodra duidelijk is dat de seksuele gerichtheid geloofwaardig is, óf indien niet met voldoende zekerheid een oordeel over de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid gegeven kan worden, de zaak wisselt van spoor 2 naar spoor 4.”.
6.6.2.
Verweerder heeft in zijn besluitvorming het volgende geconcludeerd: “Samenvattend wordt geoordeeld dat uw relaas positieve overtuigingskracht ontbreekt aangaande de problemen die zijn ontstaan als gevolg van uw seksuele gerichtheid en dat u onvoldoende kunt aangeven hoe het voor u is en voelt om te ontdekken dat u homoseksueel bent in een maatschappij met een taboe op homoseksualiteit […]”.
Conclusie
7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7.1.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeft hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking meer en wordt niet toegekomen aan de vraag of de door eiser op 27 juni 2024 ingediende aanvullende stukken al dan niet in strijd zijn met de goede procesorde.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2024;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 4 juli 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.