Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:23685
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,134 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1838 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.K. Koornneef),
en
het college van burgemeester en wethouders van Hillegom, verweerder
(gemachtigde: mr. E.S. Kraay).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. M.S. van der Hoek).
Inleiding
1. Bij besluit van 16 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte met parkeerplaatsen op de locatie [adres] in [plaats] .
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] en
[naam 2] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam 3] , adviseur.
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 26 februari 2015 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfsruimte met parkeerplaatsen op de locatie [adres] in [plaats] . Daarmee wordt legalisering van reeds aanwezige bebouwing beoogd. Het gaat daarbij voor een groot deel om vervanging van bedrijfsbebouwing die door een brand in 2011 verloren is gegaan, waaraan een overkapping en een dockshelter worden toegevoegd.
2.1.
Verweerder heeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd, als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Naar aanleiding van in 2016 ontvangen zienswijzen op een ontwerpbesluit is de aanvraag aangevuld met aanvullende onderzoeken en is de ruimtelijke onderbouwing aangepast. Mede gelet op het tijdsverloop heeft procedure de procedure opnieuw gestart en is op 1 juni 2022 een nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd.
2.2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo). Volgens verweerder is het project voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening, zodat de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3º, van de Wabo kan worden verleend.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 februari 2015. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Toetsingskader
5. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Bebouwingspercentage
6. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Op grond van het bestemmingsplan geldt een maximum bebouwingspercentage van 24%. Met de omgevingsvergunning wordt een bebouwingspercentage van 57% mogelijk gemaakt. Waarom dit aanvaardbaar is wordt niet onderbouwd. Van een door verweerder gemaakte fout bij de vaststelling van het bestemmingsplan blijkt niet.
6.1.
Verweerder betwist dat het bouwplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Bij de vaststelling van het voor de aanvraag relevante bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1997, eerste herziening” zijn per abuis niet alle verleende bouwvergunningen opgenomen en is bebouwing wegbestemd. Het bebouwingspercentage was op dat moment al meer dan 24%. De bebouwing is voor wat betreft grondoppervlakte niet toegenomen, op de overkapping en de dockshelter na. Omdat de overkapping wordt gerealiseerd tussen bestaande bebouwing en de dockshelter ondergeschikt is aan de bouwmassa, is het ruimtelijk effect daarvan nihil.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3º, van de Wabo. Met deze zogenoemde buitenplanse afwijkingsbevoegdheid kan door verweerder worden afgeweken van het bestemmingsplan, en dus ook van het bebouwingspercentage van 24%. De vraag of het hier gaat om een vergissing van de gemeenteraad om de bestaande bebouwing weg te bestemmen is in zoverre niet van belang. Het gaat om de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
6.3.
Niet in geschil is dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan ruimschoots meer (legale) bedrijfsbebouwing op het perceel aanwezig was dan waarin met het bebouwingspercentage van 24% is voorzien. Verweerder heeft de destijds aanwezige bebouwing van betekenis mogen achten bij de verlening van de omgevingsvergunning. Ook kan de rechtbank verweerder volgen in het standpunt dat de overkapping en de dockshelter op zichzelf een beperkte ruimtelijke uitstraling hebben. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op zitting heeft toegelicht dat hij geen zicht heeft op de overkapping en dat eiser de bevindingen in de ruimtelijke onderbouwing over de omvang van de bebouwing niet heeft betwist. Het betoog van appellant dat onvoldoende is onderbouwd dat van het bebouwingspercentage van het bestemmingsplan kan worden afgeweken slaag daarom niet.
Verkeersbewegingen
7. Eiser betoogt dat het bouwplan leidt tot een toename van het intensieve vrachtverkeer, dat is verbonden aan de activiteiten van de vergunninghoudster. Die toename is nadelig voor het woon- en leefklimaat. Verweerder heeft onvoldoende belang gehecht aan het feit dat de [straatnaam] vanwege de beperkte wegbreedte niet geschikt is voor afwikkeling van dat vrachtverkeer. Als twee auto’s elkaar in tegengestelde richting op de [straatnaam] moeten passeren, moet één van de auto’s plaats maken door tijdelijk op particulier terrein te parkeren.
7.1.
Volgens verweerder is sprake van een historisch gegroeide situatie van bebouwing en verkeersbewegingen. De bedrijfsactiviteiten zijn niet gewijzigd en de daarvoor vergunde bebouwing leidt niet tot een juridisch relevante toename van verkeersbewegingen. De extra verkeersbewegingen die in de ruimtelijke onderbouwing worden vermeld houden verband met pieksituaties.
7.2.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van het bestreden besluit van belang is wat uit juridisch oogpunt wordt toegestaan. In de ruimtelijke onderbouwing die onderdeel is van de verleende vergunning wordt vastgesteld dat het aantal verkeersbewegingen met 92 per etmaal toeneemt. Verder wordt daarin opgemerkt dat er op maximaal 20 dagen per jaar een hoger aantal verkeersbewegingen is. Onder de toelichting dat dit slechts een beperkt deel van het jaar betreft en dit door de huidige inrichting van het perceel geen noemenswaardige effecten op de verkeerssituatie heeft, wordt het aspect verkeersafwikkeling in de ruimtelijke onderbouwing verder buiten beschouwing gelaten.
7.3.
De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat de toename van verkeersbewegingen uit juridisch oogpunt niet relevant is, omdat ook in de situatie van voor de brand sprake was van verkeersbewegingen. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat een beperkte uitbreiding van het bedrijf heeft plaatsgevonden ten opzichte van de vergunde situatie en dat een toename van het aantal verkeersbewegingen op locatie is voorzien. De vergunningverlening leidt daardoor tot een situatie waarin meer verkeersbewegingen worden toegestaan. Verder heeft verweerder op zitting onderkend dat de verkeerssituatie op de [straatnaam] niet optimaal is vanwege de beperkte breedte van de weg. Gelet hierop had verweerder moeten beoordelen of de vergunde toename van verkeersbewegingen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De door eiser gestelde aantasting van zijn woon- en leefklimaat moet in die beoordeling worden betrokken. De niet nader onderbouwde vaststelling in de ruimtelijke onderbouwing dat de toename van de verkeersintensiteit geen significant effect heeft op de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid is in dit licht onvoldoende. Aan het bestreden besluit ligt daarom onvoldoende onderzoek ten grondslag en het wordt niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
Bestuurlijke lus
8. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat het ontoereikend is gemotiveerd. In zoverre is het bestreden besluit in strijd genomen met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
Dictum
De rechtbank:
- draagt verweerder op de rechtbank binnen twee weken mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om, indien hij daarvan gebruik maakt, binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 november 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633.
P. 26 van de ruimtelijke onderbouwing.