Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:23681
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,013 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 23/8745 (beroep) en AWB 23/8746 (voorlopige voorziening )
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken van 6 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , eiser/verzoeker,
V-nummer: [v-nummer 1]
en
[eiseres]
, eiseres/verzoekster,
V-nummer: [v-nummer 2]
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. T.O. Sohansingh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).
Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] (referente)” afgewezen.
Bij besluit van 2 mei 2022 en aanvullend besluit van 18 oktober 2022 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 maart 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen die besluiten gegrond verklaard, de besluiten van 2 mei 2022 en 18 oktober 2022 vernietigd en verweerder opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
Bij besluit van 12 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers wederom ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eisers zo spoedig mogelijk naar Nederland kunnen reizen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eisers, [naam 1] en [naam 2] met hun partners en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Bij tussenuitspraak van 30 april 2024 heeft deze rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen.
Verweerder heeft bij aanvullend besluit van 18 juni 2024 het bestreden besluit tot
afwijzing van de mvv-aanvraag gehandhaafd.
Eisers hebben op 9 juli 2024 op het aanvullend besluit hun zienswijze gegeven.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op grond van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
1. Voor een uiteenzetting van de voor deze zaken van belang zijnde en aan de tussenuitspraak voorafgaande feiten omstandigheden verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder weliswaar alle feiten en omstandigheden in de besluitvorming heeft betrokken, maar (weer) niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en hun dochters. Kort samengevat heeft verweerder onvoldoende betrokken de toelichting dat eisers in Suriname geen contact hebben met familieleden en dat er een afstand is met de familie van eiser omdat eiser geadopteerd is, het dagelijkse contact tussen eisers en referente, dat eisers in een sociaal isolement verkeren en er tevergeefs inspanningen zijn gedaan om passende hulp te zoeken.
3. In het aanvullend besluit van 18 juni 2024 heeft verweerder zich wederom op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Niet in geschil is dat eisers en referente al sinds 8 september 2005 niet meer samenwonen. Uit de Werkinstructie 2020/16 blijkt dat “als gezinsleden niet samenwonen en ieder een eigen familie- of gezinsleven onderhouden, dan is dit in de regel een aanwijzing dat géén sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie”. Ook blijkt uit die werkinstructie dat een situatie waarin een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid zich in de regel minder snel zal voordoen, een situatie is waarin een gezin in Nederland verblijft en nadien op enig moment één van de in het land van herkomst achtergebleven (groot)ouders hulpbehoevend wordt. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens Tatar tegen Zwitserland en een uitspraak van rechtbank Den Haag van 16 juni 2017, stelt verweerder dat van eisers verwacht mag worden dat zij in Suriname de reisafstand naar de medische faculteit overbruggen, of gaan wonen in de nabijheid ervan, tenzij hun ziekte daaraan in de weg staat. Niet gebleken is dat de medische behandeling die eisers nodig hebben niet beschikbaar is. Eisers maken hun hele leven al gebruik van de medische faciliteiten in Suriname. Niet is gebleken dat er geen particuliere zorg in Suriname kan worden ingehuurd. Eisers hebben slechts één verklaring van een bejaardentehuis overgelegd. Dit betekent echter niet dat er geen andere bejaardentehuizen of zorginstellingen zijn in Suriname. Daarnaast betekent deze verklaring niet dat er op (korte) termijn geen plek is voor eisers. In Nederland zijn er immers ook (lange) wachtlijsten voor bejaardenhuizen en zorgwoningen. Niet gebleken is dat zij exclusief afhankelijk zijn van referente. Verder vindt verweerder dat referente eisers nog steeds op afstand kan financieel en met pakketten kan ondersteunen zoals zij dat al jaren heeft gedaan en voor periodes naar Suriname kan gaan omdat er geen sprake is van een objectieve belemmering, aldus verweerder.
3.1
Eisers voeren aan dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld. Eisers kunnen niet functioneren als de dochters hen niet helpen met inname medicijnen, eten en het plannen van hun activiteiten zoals doktersbezoeken. De zorg is intensief en kan niet aan andere dokters, verplegers, familie, buren of een tuinman worden overgelaten. Eisers motiveren in hun reactie ook waarom de zorg in Suriname is verslechterd. Gelet op de toenemende hulpbehoevendheid, dat er geen andere verzorgers in Suriname zijn, het intensieve contact over de medische zorg van cliënten vanuit Nederland, de tweejaarlijkse bezoeken aan Suriname en het feit dat er geen zorginstellingen beschikbaar zijn, zijn eisers van mening dat er wel sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Het gaat volgens eisers veel te ver om van referente en haar zus te verlangen, gezien hetgeen zij allemaal in Nederland hebben, om hen in Suriname te verzorgen. Eisers wijzen op het de recente invoering van de tijdelijke regeling voor verlening van verblijfsvergunningen aan langdurig in Nederland verblijvende Surinaamse vreemdelingen (motie aangenomen op 25 juni 2024).
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het aanvullend besluit van 18 juni 2024 alsnog deugdelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Hoewel niet in geschil is dat eisers door referente en haar zus worden ondersteund in hun levensonderhoud (geld en pakketten) en medische omstandigheden (medicatiecontrole via Facetime), heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat deze ondersteuning op afstand kan, zoals referente dat al jaren heeft gedaan, en dat zij al die tijd gebruik hebben gemaakt van de medische faciliteiten in Suriname. Dit is door eisers niet weersproken. Er is niet gebleken dat er voor referente en haar zus sprake is van een objectieve belemmering om eisers in Suriname te bezoeken. De stelling van eisers dat de zorg intensief is en niet aan anderen kan worden overgelaten, is niet voldoende onderbouwd. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder in het aanvullend besluit heeft laten vallen dat er andere familie/buren beschikbaar zijn die voor eisers kunnen zorgen. Verweerder heeft zich wel op het standpunt kunnen stellen dat niet voldoende is onderbouwd dat de zorg, al dan niet particulier, in Suriname geboden kan worden. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat van eisers kan worden verwacht dat zij in Suriname de reisafstand naar de medische faciliteit overbruggen. Eisers hebben niet onderbouwd dat de door hen noodzakelijke zorg in heel Suriname niet gegeven kan worden. Zoals uit de verklaring van Bejaardenhuis Rust en Werk blijkt is er sprake van een wachtlijst van 1 tot 2 jaar en niet van de onmogelijkheid dat er geen plek is.
3.3
Verder is de rechtbank van oordeel dat eisers hun stelling over de recente invoering van de tijdelijke regeling geen doel treft, omdat zij altijd in Suriname hebben gewoond.
4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter met het aanvullende besluit alsnog voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 heeft verweerder in dit geval geen belangenafweging hoeven maken.
Nu verweerder in zijn aanvullend besluit van 18 juni 2024 het motiveringsgebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen.
4.1
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.187,50,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.
4.2
Nu op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Wel zal de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten van € 875.- veroordelen omdat eisers een verzoekschrift hebben ingediend.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.187,50- aan proceskosten van eisers;
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten van eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u, voor zover het de hoofdzaak betreft, een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zaaknummer: AWB 22/3333.
Arrest van het EHRM van 14 april 2015, nr. 65682/12, Tatar tegen Zwitserland.
ECLI:NL:RBDHA:2017:6523.
ECLI:NL:RVS:2024:1189.