Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:23680
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,604 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8029
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen
de erven van [erflater] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigden: A.M.H. Hogervorst en A.F. van Hecke),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. M.S. Julen en J. Chattou).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de definitieve berekening van de huurtoeslag over het jaar 2022 en de daarop gebaseerde terugvorderingen van wijlen [erflater] .
1.1.
Met het primaire besluit van 9 september 2023 heeft verweerder de huurtoeslag over het jaar 2022 herzien en definitief berekend. De huurtoeslag is vastgesteld op € 2.231. Daarbij is bepaald dat een bedrag van € 1.374 wordt teruggevorderd.
1.2.
Met het bestreden besluit van 30 november 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder daarbij gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 5 oktober 2021 wordt het inkomen van [erflater] voor het jaar 2022 geschat op € 19.539.
2.1.
Met dagtekening 28 december 2021 wordt aan [erflater] een voorschot huurtoeslag 2022 verleend van € 3.921. Dit is gebaseerd op een geschat toetsingsinkomen van € 19.539 en een rekenhuur van € 655.
2.2.
Op 16 november 2022 ontvangt verweerder een melding vanuit het BRP dat [erflater] op 11 november 2022 is overleden.
2.3.
Met dagtekening 22 december 2022 wordt het voorschot huurtoeslag herzien naar € 3.595. Er wordt huurtoeslag verleend tot 30 november 2022.
2.4.
Op 7 juni 2023 ontvangt verweerder een melding vanuit de Basisregistratie inkomen (BRI) dat het verzamelinkomen van wijlen [erflater] over het jaar 2022 voorlopig is vastgesteld op € 21.620.
2.5.
Met het primaire besluit wordt de huurtoeslag over het jaar 2022 definitief vastgesteld op € 2.231. Hierdoor moet wijlen [erflater] een bedrag van € 1.374 terugbetalen. Dit is gebaseerd op een toetsingsinkomen van € 23.586.
2.6.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Kort samengevat zijn eisers het niet eens met het vastgestelde verzamelinkomen over het jaar 2022. De huurtoeslag voor 2022 is vastgesteld op het moment dat er nog geen definitieve aanslag inkomstenbelasting was. Ook is niet uitgegaan van het inkomensgegeven zoals deze is vastgesteld door de BRI. Eisers hebben hiertegen ook bezwaar ingesteld bij de inspecteur van de Belastingdienst. Verweerder had de huurtoeslag over het jaar 2022 daarom nog niet mogen vaststellen, waardoor de terugvordering onterecht is. Tot slot zijn eisers ten onrechte niet gehoord.
Wat zijn de regels?
4. In artikel 7, eerste en tweede lid, van de Awir is bepaald dat ter bepaling van de draagkracht het toetsingsinkomen, zoals bedoeld in artikel 8 van de Awir, van de belanghebbende, zijn partner en zijn medebewoners in aanmerking wordt genomen.
4.1.
Uit de artikelen 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, onder o, van de Awir volgt dat het toetsingsinkomen het inkomensgegeven is als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Awir.
4.2.
Uit artikel 8, vijfde lid, van de Awir volgt dat bij het overlijden van de belanghebbende, indien hij geen partner heeft en er geen sprake is van een medebewoner, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid het toetsingsinkomen wordt berekend door het op grond van die leden bepaalde toetsingsinkomen tijdsevenredig te herleiden naar een jaarinkomen.
4.3.
Uit artikel 8, zesde lid, van de Awir volgt dat in de omstandigheden, bedoeld in het vijfde lid, in afwijking van het in dat lid bepaalde verzoek van een of meer van de erfgenamen het toetsingsinkomen dat betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het berekeningsjaar als toetsingsinkomen in aanmerking wordt genomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het toetsingsinkomen € 23.586 is. Uit de BRI volgt dat het verzamelinkomen van wijlen [erflater] voor 2022 is vastgesteld op € 21.620. Wijlen [erflater] is overleden in november 2022. Het inkomensgegeven uit de BRI wordt in dat geval gedeeld door het aantal maanden waarover dit inkomen is genoten en dat maandbedrag wordt vermenigvuldigd met twaalf. Het inkomensgegeven van € 21.620 is daarom gedeeld door elf maanden wat neerkomt op € 1.965. Dit is vervolgens vermenigvuldigd met twaalf maanden. Hieruit komt een (afgerond) herleid toetsingsinkomen van € 23.586. Op verzoek van eisers kan in plaats van het herleide toetsingsinkomen ook worden uitgegaan van het toetsingsinkomen van het voorgaande berekeningsjaar. Het inkomensgegeven over het jaar 2021 is zoals nu bij verweerder bekend € 23.280. Dit maakt geen verschil in de vaststelling van de huurtoeslag over het jaar 2022. Mocht het inkomensgegeven over 2022 niet wijzigen, maar het inkomensgegeven over 2021 wel, dan kan een dergelijk verzoek alsnog worden gedaan.
5.1.
Het uitgangspunt is dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan verweerder afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen.
In het Verzamelbesluit Toeslagen zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Uitgangspunt is dat dit op zichzelf niet tot een matiging van de terugvordering leidt. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden die - op zichzelf of in samenhang - wel zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden, na een belangenafweging toch reden zijn de terugvordering te matigen.
5.2.
De omstandigheid dat bij de definitieve berekening gebruik is gemaakt van een inkomensgegeven uit de BRI dat is gebaseerd op een voorlopige aanslag inkomstenbelasting maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de terugvordering onevenredig is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij een wijziging van het inkomensgegeven in de BRI voor zover dat van invloed is op de hoogte van de huurtoeslag, verweerder overgaat tot herziening van het recht op huurtoeslag en daarmee ook tot aanpassing van de terugvordering. Op het moment dat bezwaar wordt gemaakt tegen de vaststelling van de inkomstenbelasting, wordt uitstel van betaling verleend in het geval er sprake is van een terugvordering. Dit is ook in dit geval gebeurd. Met verweerder is de rechtbank daarom van oordeel dat geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot afzien van terugvordering dan wel het matigen van de terugvordering. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eisers onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
5.3.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande het onverschuldigd uitbetaalde voorschot in zijn geheel bij eisers mogen terugvorderen.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden, omdat verweerder op basis van alle beschikbare informatie die hij ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, niet tot een andere beslissing had kunnen komen, omdat hij is gehouden de gegevens zoals vastgesteld in de BRI te volgen. Hetgeen eisers verder naar voren hebben gebracht op de zitting, maken dit niet anders.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Awir.
Op grond van artikel 8, zesde lid, van de Awir.
Artikel 26, tweede lid, van de Awir.
Het Verzamelbesluit Toeslagen.
Op grond van artikel 20 van de Awir.