Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:23679
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,617 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7814
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 10 augustus 2023 heeft verweerder het herzieningsverzoek van eiseres over de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2018 afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 2 november 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Met dagtekening van 8 november 2019 stelt verweerder het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018 definitief vast op € 8.554. Eiseres moet € 544 aan te veel ontvangen voorschot kinderopvangtoeslag terugbetalen.
2.1.
Met dagtekening van 9 maart 2020 verklaart verweerder het bezwaar van eiseres tegen voornoemde definitieve berekening ongegrond. Het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018 blijft € 8.554. Verweerder geeft in het besluit aan dat het bezwaar wordt doorgezonden naar het Landelijke Incasso Centrum ten aanzien van de bezwaargrond over de uitbetaling.
2.2
Eiseres gaat hiertegen in beroep. Met mondelinge uitspraak van 29 september 2021 verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op het bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
2.3.
Eiseres gaat hiertegen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) verklaart het hoger beroep ongegrond.
2.4.
Met dagtekening van 19 december 2022 verzoekt eiseres om ambtshalve herziening van het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018. In die zin dat eiseres geen terugvordering hoeft te betalen.
2.5.
Met het primaire besluit wijst verweerder het verzoek om herziening af.
2.6.
Met het bestreden besluit verklaart verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag gekregen en uit de definitieve berekening over de jaren 2016 en 2017 valt op te maken dat zij niets meer terug hoeft te betalen, sterker nog, zij heeft juist recht op een hoger bedrag. De essentie is dat de berekening van verweerder klopt, maar de weergave daarvan in de beschikkingen niet. Eiseres heeft uit de toegestuurde stukken mogen en kunnen afleiden dat zij alles al had betaald. Dit bleek een fout te zijn in de weergave in de beschikking, maar dat neemt niet weg dat zij hier vertrouwen uit kon ontlenen dat de toeslagen al waren terugbetaald.
3.1.
Door de onjuiste weergave in de definitieve beschikking van 27 december 2017 voor het jaar 2016 heeft eiseres ervan uit mogen gaan dat zij over 2016 nog € 619 zou ontvangen. Uit de definitieve beschikking van 24 december 2018 blijkt dat zij voor het jaar nog een bedrag van € 332 krijgt. Dat dit een kennelijke fout is in de weergave kan eiseres niet worden verweten. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig en onjuist gemotiveerd. De door eiseres opgestuurde beschikking zijn in zijn geheel niet meegenomen in de belangenafweging.
3.2.
Eiseres moet erop kunnen vertrouwen dat de beschikkingen juist zijn en dat zij geld terugkrijgt. Zij behoort tot de minima en is aangewezen op een uitkering. Bovendien kan van haar niet worden verlangd dat zij de onderliggende boekingen kan doorgronden. Zij beroept zich allereerst op het vertrouwensbeginsel. Mocht dit niet slagen, dan doet zij een beroep op het redelijkheidsbeginsel dan wel enig ander beginsel van behoorlijk bestuur.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het herzieningsverzoek van eiseres terecht heeft afgewezen. Zij zal dit oordeel hierna uitleggen.
4.1.
Uit de aanhef van artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, met name de woorden "is gebleken", volgt dat verweerder pas tot herziening overgaat, indien op grond van feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat de toeslag te laag is vastgesteld. Van verweerder kan niet worden gevergd dat hij, zonder dat er aanwijzingen zijn dat zich zodanige feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, een beslissing tot vaststelling of herziening van een aanspraak, opnieuw beoordeelt. Een belanghebbende die vraagt om toepassing van artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) dient zelf die feiten en omstandigheden te noemen.
4.2.
Eiseres verzoekt om herziening, omdat de beschikkingen kinderopvangtoeslag over de jaren 2016 en 2017 onduidelijk zouden zijn. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres in het herzieningsverzoek dezelfde feiten en omstandigheden heeft genoemd als eerder in het beroepschrift. Uit het verzoek blijkt dan ook niet alsnog dat de toeslag te laag is vastgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder een toeslagschuld mag verrekenen met een toeslagbedrag dat nog moet worden uitbetaald.
4.3.
Weliswaar begrijpt de rechtbank dat het wettelijke systeem en de uitvoering inzake het stelsel van toeslagen, waarbij sprake is van voorschotten, terugbetalingen en verrekeningen, kan leiden tot onduidelijkheid, maar het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat drie stappen moeten worden doorlopen voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlatingen en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Met verweerder is de rechtbank van oordeel er geen sprake is geweest van een toezegging dat zij de bedragen op haar bankrekening bijgeschreven zou krijgen. Op de eerste pagina van zowel de herziene definitieve berekening met dagtekening 27 december 2017 als 24 december 2018 staat dat eiseres bij de eerdere definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag te weinig heeft ontvangen. Voor het jaar 2017 krijgt zij nog € 619 en voor het jaar 2018 € 332. In deze besluiten staat ook het volgende vermeld: “Wij maken dit bedrag over of verrekenen het met toeslagen die u nog aan ons moet terugbetalen.”. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze beschikkingen niet dat er sprake is van enige uitlating die kan worden gekwalificeerd als een toezegging dat voornoemde bedragen daadwerkelijk zouden worden uitbetaald. De mogelijkheid bestond ook dat de bedragen zouden worden verrekend met toeslagen die eiseres nog aan verweerder moest terugbetalen. Dit is ook feitelijk gebeurd.
4.4.
Het uitgangspunt is dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan verweerder afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen.
In het Verzamelbesluit Toeslagen zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen. Uit het Verzamelbesluit volgt dat van bijzondere omstandigheden in beginsel geen sprake is als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot is berekend. De financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderen, zullen in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Met een dergelijke regeling op maat kan in het specifieke geval het noodzakelijke maatwerk worden geboden voor zover de financiële omstandigheden van een belanghebbende ontoereikend zijn om de (gehele) terugvordering te voldoen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2617.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:930.
Artikel 30, eerste lid, van de Awir.
De uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2563.
Artikel 26, tweede lid, van de Awir.
Het Verzamelbesluit Toeslagen.