Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23673
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,741 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/3368 en SGR 23/3371
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. T.M.T. Konings).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde tweede last onder dwangsom (SGR 23/3371) en tegen de invorderingsbeschikking van de eerste last onder dwangsom (SGR 23/3368).
1.1.
Met de (afzonderlijke) besluiten van 3 april 2023 is verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 31 maart 2023, bij de oplegging van de tweede last onder dwangsom en de invordering van de eerste last onder dwangsom gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] (de woning). De Haagse Pandbrigade heeft op 20 mei 2022 bij een inspectie van de woning zes slaapplaatsen geconstateerd, waarvan er vijf in gebruik waren. Bij de inspectie zijn zes personen in de woning aangetroffen. Vier personen stonden ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De inspecteurs hebben geconcludeerd dat er in de woning meer dan twee personen wonen en dat er sprake is van onzelfstandige bewoning. Daarmee heeft eiseres volgens verweerder de Huisvestingswet en Huisvestingsverordening overtreden.
Verweerder heeft daarom op 30 juni 2022 een eerste last onder dwangsom opgelegd en eiseres gelast deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 5000,-. Tegen deze last zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte vast staat.
2.1.
Bij een controle op 12 juli 2022 bleek dat de woning leeg stond en de overtreding was beëindigd. Bij een hercontrole op 27 september 2022 hebben de inspecteurs zeven slaapplaatsen aangetroffen, waarvan er zes in gebruik waren. Er zijn zes personen aangetroffen in de woning, waarvan er geen waren ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Een bewoonster heeft verklaard dat zij met zes personen in de woning wonen en dat zij de sleutel van [eiseres] (eiseres) heeft gekregen. Volgens verweerder is hiermee aannemelijk gemaakt dat de overtreding niet is beëindigd en dat daarom de last onder dwangsom van 30 juni 2022 van rechtswege is verbeurd. Dit houdt in dat eiseres het dwangsombedrag van € 5000,- is verschuldigd aan verweerder. Omdat de overtreding niet is beëindigd en er nog steeds sprake is van onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan twee bewoners en overbewoning, heeft verweerder op 3 november 2022 een tweede (verhoogde) last onder dwangsom opgelegd, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-.
2.2.
Eiseres heeft de verbeurde dwangsom niet binnen de daartoe gestelde termijn van zes weken betaald. Met de invorderingsbeschikking van 15 december 2022 heeft verweerder de dwangsom daarom ingevorderd.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres betwist dat uit de rapportage van 29 september 2022 op overtuigende wijze is gebleken dat van een overtreding sprake is geweest. Redengevend daarvoor is de taalbarrière. De inspecteur heeft met (een deel van) de aanwezige personen in het Grieks gecommuniceerd zonder dat daar hulpmiddelen aan te pas zijn gekomen. Het rapport bevat daarover geen uitleg. Volgens eiseres is het aan verweerder om naar behoren uiteen te zetten dat een rapportage deugdelijk is en dat de getrokken conclusies zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Bovendien is ook niet komen vast te staan dat Grieks de moedertaal is van de in de woning aanwezige personen met wie is gesproken. Volgens eiseres kan dus niet worden geconcludeerd dat de rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het rapport kan daarom niet aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Verweerder heeft dan ook geen bewijs voor de overtreding, zodat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven.
3.1.
Daarnaast kan eiseres niet als overtreder worden aangemerkt. Zij heeft het onzelfstandig bewonen niet aanvaard nu zij de zes personen geen toegang tot de woning heeft verschaft en zij geen uitdrukkelijke toestemming aan hen heeft verleend om de woning gezamenlijk te bewonen. Zij heeft juist op het belang van het nakomen van de wet- en regelgeving gewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Mocht verweerder zijn besluiten baseren op het inspectierapport?
4. Volgens vaste rechtspraak van de hoogte bestuursrechter mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Als die bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen, dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de rapportage te twijfelen. De enkele stelling dat sprake zou zijn van een taalbarrière is daarvoor onvoldoende. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de bewoonster in duidelijke bewoordingen is afgelegd en niet blijkt dat zij de Griekse taal onvoldoende beheerste om op adequate wijze een verklaring af te leggen. Bovendien heeft de inspecteur in het rapport opgenomen dat de communicatie goed verliep en zij elkaar goed konden begrijpen in de Griekse taal. Anders dan eiseres meent was verweerder dan ook niet gehouden uiteen te zetten waarom de inspecteur de Griekse taal machtig is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de rapportage de geconstateerde overtreding voldoende zorgvuldig heeft vastgesteld.
Kan eiseres als overtreder worden aangemerkt?
5. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres als fysiek pleger van de overtreding moet worden aangemerkt, omdat zij de sleutel aan een van de huurders heeft overgedragen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet nu enkel door het overdragen van de sleutel aan een van de huurders niet is bewezen dat eiseres de verboden handeling fysiek heeft verricht. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van functioneel daderschap. De rechtbank zal dat uitleggen.
5.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. In dat laatste geval moet vast komen te staan dat degene aan wie de gedraging wordt toegerekend de beschikkingsmacht had over of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en daarnaast de gedraging ook heeft aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
5.2.
Niet in geschil is dat eiseres kan beschikken over de wijze waarop de woning wordt gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat eiser de overtreding ook heeft aanvaard, omdat zij is tekortgeschoten in wat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht om de overtreding te voorkomen. Het pas ter zitting ingenomen standpunt dat zij de woning heeft verhuurd aan een stel en niet aan zes personen en zij de woning iedere twee weken heeft gecontroleerd is niet (met stukken) onderbouwd. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij de huurders wees op de regels. Bovendien was zij door de eerste opgelegde last onder dwangsom een gewaarschuwd mens en had zij had zich actief moeten inspannen om de overtreding beëindigd te houden. Door niet te voldoen aan de op haar rustende zorgplicht ter voorkoming van de overtreding, heeft eiseres de overtreding aanvaard.
6. Gelet op voorgaande heeft verweerder eiseres dan ook terecht als overtreder aangemerkt en was hij bevoegd aan haar een last onder dwangsom op te leggen. Ook heeft verweerder terecht de verbeurde dwangsom ingevorderd.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht de verbeurde dwangsom heeft ingevorderd en een tweede last onder dwangsom van € 10.000,- heeft opgelegd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014, gelezen in samenhang met artikel 5:1, eerste lid, en artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (hierna: Huisvestingsverordening).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2801.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071 en van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2613.