Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:23671
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,156 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3851
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Fazli).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van het rentepercentage ten behoeve van de aflossing van zijn studieschuld voor de periode van januari 2024 tot en met december 2028.
1.1.
Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering ontvangen. Als debiteur heeft eiser zich verplicht de aan hem toegekende studiefinanciering, een studielening, terug te betalen. Deze lening bedraagt op 1 november 2023 € 42.515,15. Eiser is over deze lening rente verschuldigd. Het rentepercentage over deze lening is per 1 januari 2024 vastgesteld op 2,95%.
2.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. Eiser is het hier niet mee eens.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt – kort samengevat – dat studiefinanciering onder de reikwijdte valt van de Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (de Richtlijn). De eisen die hieruit volgen zijn dus onverkort van toepassing op studiefinanciering. Dit betekent dat verweerder als kredietverstrekker verplicht is om geruime tijd voordat een kredietnemer door een kredietovereenkomst of een aanbod daartoe wordt gebonden de in de Richtlijn voorgeschreven pre-contractuele informatie te verstrekken, op de in de Richtlijn voorgeschreven wijze. Doordat verweerder zijn pre-contractuele informatieplicht niet is nagekomen, is de kredietovereenkomst vernietigbaar. Het rechtsgevolg van een nietige kredietovereenkomst is dat er geen grondslag meer bestaat om kredietkosten en rente in rekening te brengen.
3.1.
Op zitting heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte stelt dat de voorwaarden voor studiefinanciering gunstiger zijn. Zo is er geen sprake van een beperkt publiek, een rentevrij krediet, krediet tegen een lagere rentevoet dan op de markt gebruikelijk is of tegen gunstigere consumentenvoorwaarden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In artikel 2, tweede lid, onderdeel l, van de Richtlijn staat dat de Richtlijn niet van toepassing is op kredietovereenkomsten betreffende leningen die krachtens een wettelijke bepaling met een doelstelling van algemeen belang aan een beperkt publiek worden toegekend tegen een lagere dan op de markt gebruikelijke rentevoet, dan wel rentevrij, of onder andere voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden en tegen rentetarieven die niet hoger zijn dan op de markt gebruikelijke. Dit is door de wetgever omgezet in nationale wetgeving in artikel 1:20, eerste lid, sub a, van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
4.1.
Anders dan eiser aanvoert is de rechtbank van oordeel dat de studieschuld van eiser niet onder de Richtlijn dan wel de Wft valt. De studieschuld omvat een lening die op basis van de wettelijke bepalingen uit de Wsf 2000 beschikbaar wordt gesteld aan een beperkt publiek, namelijk studerenden die voldoen aan bepaalde nationaliteits-, leeftijds- en opleidingsvoorwaarden.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een duidelijk omlijnde groep en moet niet zoals eiser betoogt naar een numeriek aantal worden gekeken. Daarnaast wordt de lening verstrekt met een doelstelling van algemeen belang, namelijk om studerenden in de gelegenheid te stellen om onder maatschappelijk acceptabele voorwaarden een herkenbare kwalificatie te behalen.
4.3.
Verder geldt voor de lening een lagere rentevoet dan gebruikelijk is op de markt. Zo heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de rente voor zowel persoonlijke leningen als lopende kredieten tussen 2019 en 2024 tussen de 4 en 12% schommelt. Terwijl het rentepercentage voor studieleningen tussen 2019 en 2022, 0% is geweest en sinds vorig jaar is gestegen naar het huidige percentage. Er wordt voor de studielening aangesloten bij de rente voor bepaalde Nederlandse staatsobligaties.
4.4.
Daarbij is de richtlijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten betreffende leningen die worden toegekend onder voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan op de markt gebruikelijk is, als de rente marktconform is. Dit is het geval bij de studielening, omdat tijdens de verstrekking geen inkomenstoets wordt gehanteerd, pas geruime tijd na de studie kan worden gestart met aflossen, er een ruime aflossingstermijn geldt, de hoogte van het af te lossen maandbedrag voor de studieschuld inkomensafhankelijk is, elke debiteur de aflossing gedurende maximaal vijf jaren kan pauzeren, de schuld ineens kan worden afgelost zonder dat hiervoor een rentevergoeding schuldig is, het de debiteur volledig vrijstaat zich tijdelijk of permanent buiten Nederland te vestigen en een eventuele resterende studieschuld bij het einde van de aflosfase (in het geval van eiser is dit na vijftien jaar) dan wel in geval van overlijden wordt kwijtgescholden.
4.5.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze voorwaarden zowel in samenhang bezien als afzonderlijk, gunstiger zijn dan de voorwaarden die gebruikelijk zijn voor consumentenkredieten.
4.6.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de studieschuld van eiser niet valt onder de wettelijke bepalingen van de Wft dan wel de Richtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken dat verweerder het rentepercentage niet heeft mogen vaststellen op 2,95% voor de periode van januari 2024 tot en met december 2028.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6.1b. van de Wsf 2000.
Op grond van artikel 6.3. en 6.4.van de Wsf 2000.
Kamerstukken II 2015/16, 34 292, nr. 3, p. 35.
Artikel 2.2. van de Wsf 2000.
Artikel 2.3. van de Wsf 2000.
Artikel 2.8. e.v. van de Wsf 2000.
Kamerstukken II, 1994/95, 24 325, nr. 3, p. 4.