Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:23670
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,837 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8551
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. P.E. Merema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aanvraag om studiefinanciering voor uitwonenden per 1 september 2023.
1.1.
Met het bestreden besluit van 17 november 2023 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 23 juni 2023 studiefinanciering voor uitwonenden per 1 september 2023 aangevraagd. De studiefinanciering uitwonenden is haar per die datum toegekend.
2.1.
Op 12 september 2023 heeft verweerder de woonsituatie van eiseres gecontroleerd en een wijziging doorgevoerd. Met het besluit van 12 september 2023 heeft verweerder eiseres vanaf 1 september 2023 studiefinanciering thuiswonenden toegekend. Zij staat op dat moment volgens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van haar ouders in [plaats].
2.2.
Eiseres staat vanaf 2 oktober 2023 ingeschreven voor eigen woonruimte bij de gemeente Delft. Daarop heeft verweerder haar vanaf 1 november 2023 studiefinanciering voor uitwonenden toegekend.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 12 september 2023 en 12 oktober 2023 ongegrond verklaard.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat zij ook over de maanden september en oktober 2023 recht heeft op studiefinanciering voor uitwonenden, omdat zij al zelfstandig woonde. In ieder geval voor de maand oktober toen zij kon worden ingeschreven. Voor de inschrijving in de BRP moet er een huur- of koopovereenkomst worden overgelegd. Zij heeft er alles aan gedaan, waaronder meermaals bij de huurbaas geïnformeerd, om dit te bewerkstelligen. Meer had zij niet kunnen doen. Toen zij het huurcontract ontving, was het niet mogelijk om met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2023 in te schrijven in Delft. Ter onderbouwing van haar standpunt overlegt zij onder andere haar huurcontract en verschillende whatsappberichten.
Wat zijn de regels?
4. Uit artikel 1.2 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) volgt dat voor toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.
4.1.
Uit artikel 1.5 van de Wsf 2000 volgt dat een student voor het normbedrag voor een uitwonende student in aanmerking komt als die voldoet aan de volgende verplichtingen:
de student woont op het adres waaronder hij in de BRP staat ingeschreven, en
het woonadres van de student is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de BRP staat of staan ingeschreven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Verweerder heeft op de zitting toegezegd dat de uitwonende beurs vanaf oktober 2023 alsnog wordt toegekend, omdat de inschrijving in de BRP één dag te laat is ten opzichte van de peildatum op de eerste van de maand en omdat hij duidelijk ziet dat eiseres vanaf half september zich heeft ingespannen en de nodige moeite heeft gedaan om de inschrijving rond te krijgen. De vraag die partijen gelet hierop nog verdeeld houdt is of verweerder voor de maand september de studiefinanciering voor uitwonenden heeft mogen weigeren.
5.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres over de maand september 2023 geen recht heeft op studiefinanciering uitwonenden. Zij zal dit oordeel hierna uitleggen.
5.2.
Eiseres is vanaf 2 oktober 2023 ingeschreven bij de gemeente Delft. Op de eerste dag van de maand september was eiseres nog niet ingeschreven op haar adres in Delft. Gelet hierop heeft verweerder de studiefinanciering over deze maand kunnen verlagen naar studiefinanciering voor thuiswonenden.
5.3.
Eiseres heeft zowel in de stukken als ter zitting nader toegelicht dat zij verschillende keren heeft geprobeerd om de verhuurder te bewegen om het huurcontract (eerder) te tekenen. Uiteindelijk is het half september 2023 gelukt om het huurcontract te ondertekenen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres het een en ander heeft geprobeerd om de verhuurder te bewegen het huurcontract te ondertekenen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder niet heeft kunnen vasthouden aan de verplichtingen uit de wet. Het had op de weg van eiseres gelegen om zich goed te informeren en de zaken goed te regelen. Zo had zij contact met de gemeente Delft kunnen leggen om te kijken naar de mogelijkheden. Nu dit onvoldoende is gedaan komt het voor risico van eiseres dat het niet is gelukt om zich voor 1 september 2023 in te schrijven in de BRP.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder op goede gronden heeft beslist dat eiseres over de maand september 2023 geen recht heeft op studiefinanciering uitwonenden. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.