Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:23619
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,607 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20730
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1]
[eiser 2]
, V-nummer: [v-nummer 2]
[eiser 3]
, V-nummer: [v-nummer 3]
[eiser 4]
, V-nummer: [v-nummer 4]
[eiser 5]
, V-nummer: [v-nummer 5]
[eiser 6]
, V-nummer: [v-nummer 6]
[eiser 7]
, V-nummer: [v-nummer 7] , eisers
(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),
en
de Minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor verblijf bij hun zoon en broer in Nederland.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 april 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, I.S. Ibrahim als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres, [eiser 1] , is geboren op [geboortedatum 1] 1973 en is de moeder van referent, [referent] . [eiser 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1994, [eiser 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, [eiser 4] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, [eiser 5] , geboren op [geboortedatum 3] 2007, [eiser 6] , geboren op [geboortedatum 4] 2009 en [eiser 7] , geboren op [geboortedatum 5] 2013 zijn de andere kinderen van eiseres en de broers en zussen van referent (hierna: eisers). Zij zijn dus een gezin met meerderjarige en minderjarige kinderen. Ze hebben allemaal de Syrische nationaliteit en verblijven in Turkije. Eisers hebben verblijf in Nederland gevraagd op grond van artikel 8 van het EVRM bij hun zoon en broer. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van gezinsleven dat moet worden beschermd op grond van artikel 8 van het EVRM. Referent is meerderjarig en valt daarom niet onder de regels voor gezinshereniging als minderjarige. Verweerder vindt ook dat hij niet als jongvolwassene kan worden aangemerkt. Tenslotte vindt verweerder de afhankelijkheid van referent en zijn moeder, broers en zussen niet zodanig dat er sprake is van gezinsleven dat op grond van artikel 8 EVRM beschermd moet worden.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers menen dat referent wel kan worden aangemerkt als jongvolwassene. Verweerder legt volgens hen teveel nadruk op zijn zelfstandigheid en zelfredzaamheid, maar hij werd daartoe gedwongen door het overlijden van zijn vader en zijn verblijf in het buitenland. Zijn baantjes en zijn verblijf in het buitenland stonden altijd ten dienste van het gezin als geheel en waren erop gericht dat gezin uiteindelijk te herenigen. Ook is er sprake van beschermenswaardig gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat het hele gezin meer dan gebruikelijke emotionele banden heeft (more than the normal emotional ties). Dit komt onder meer vanwege de oorlog in Syrië, het verlies van vader en zeer waarschijnlijk ook broer [eiser 2] en de handicap van [eiser 3] (hij mist een oog en is slechtziend aan het andere). Hierdoor is het gezin juist hechter dan normaal. Daarbij is hun samenwoning alleen onderbroken om gezinshereniging op een veilige plek mogelijk te maken. Er zijn ook geen banden meer met Syrië, want daar zijn geen familieleden of bezittingen meer. In Turkije zijn eisers illegaal. In Nederland hebben eisers referent en de zus van eiseres met haar gezin. Tenslotte bestaan er ook hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige broer en zussen. Daarbij is van belang dat zij dagelijks contact hebben en zij hem zien als vaderfiguur.
Beoordeling
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referent al meerderjarig was op het moment dat hij naar Nederland kwam en asiel kreeg. Daarom valt hij niet onder de regels voor minderjarigen, die recht hebben op gezinshereniging met hun ouders. De kern van het geschil is dan ook of er sprake is van gezinsleven tussen referent en eisers dat op grond van artikel 8 van het EVRM in Nederland moet worden beschermd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat dit niet het geval is en de aanvraag van eisers daarom heeft kunnen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Valt referent onder het jongvolwassenenbeleid?
4.1
Ook als een kind al meerderjarig is, kan er toch sprake zijn van te beschermen gezinsleven met de ouders (en minderjarige broers en zussen) op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarvoor moet de hoofdpersoon als jongvolwassene kunnen worden aangemerkt. Op grond van dit jongvolwassenenbeleid wordt er gezinsleven tussen een meerderjarige en zijn gezinsleden aangenomen als de meerderjarige jongvolwassen is en met de ouder(s) in gezinsverband samenleefde, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen eigen gezin heeft gevormd. Dit is een feitelijke vaststelling waarbij verweerder alle individuele omstandigheden moet betrekken. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat referent niet onder dit beleid valt. Daartoe is van belang dat hij al 7 jaar niet meer in gezinsverband met zijn gezinsleden samenleeft en al die tijd in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien. Zo heeft hij in zijn land van herkomst al gewerkt en is hij op 17- jarige leeftijd via Turkije naar Griekenland gegaan, waar hij 2 jaar zelfstandig heeft verbleven. Referent heeft verklaard dat hij in Turkije fulltime werkte en meerdere baantjes heeft gehad. Zo werkte hij 6 dagen in de week, meer dan 7 maanden lang, in een kleermakerij. Met zijn verdiende geld kon hij in zijn eigen levensonderhoud voorzien en kon hij daarnaast nog een deel sparen om naar zijn familie op te sturen. Ook in Nederland heeft referent al een baan gehad en taalles gevolgd. Hij woont zelfstandig, voert de bijbehorende huishoudelijke taken zelf uit, en kookt voor zichzelf. Dat referent noodgedwongen eerder zelfstandig is geworden dan hij misschien zou zijn geweest als zijn vader nog leefde, verandert niet dat referent die stappen naar zelfstandigheid heeft weten te zetten en inmiddels al een lange tijd zelfstandig in zijn levensonderhoud voorziet. Dat dit hem zwaar valt, ook vanwege het feit dat zijn gezinsleden in Turkije verblijven, is te begrijpen, maar maakt niet dat hij daardoor onder het jongvolwassenenbeleid valt. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, waarbij ook sprake was van een meerderjarige Syrische vreemdeling die zich genoodzaakt voelde op jonge leeftijd te gaan werken om bij te dragen aan het onderhoud van haar familieleden. Uit het feit dat iemand voor langere periode in het eigen levensonderhoud voorziet mag volgens de hoogste bestuursrechter geconcludeerd worden dat er juist sprake is van zelfstandigheid, omdat daaruit blijkt dat diegene niet meer afhankelijk is van het oorspronkelijke gezin.
Is er gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM tussen referent en eisers?
4.2
Er kan sprake zijn van gezinsleven dat moet worden beschermd op grond van artikel 8 van het EVRM als er meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid is tussen referent en zijn meerderjarige gezinsleden, of hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige broer en zussen. Daarbij moet verweerder alle omstandigheden betrekken, waaronder samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van materiële (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
4.2.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat er geen te beschermen gezinsleven is tussen referent en zijn moeder en meerderjarige broers. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat zij al 7 jaar niet meer in gezinsverband samenwonen en zich hebben kunnen redden zonder elkaars fysieke nabijheid. Daarbij is gebleken dat de steun van referent ook vanuit Nederland mogelijk is. Dat dit een moeilijke situatie is, het gezin hecht is, liever in elkaars nabijheid wil zijn en elkaar steunt, is begrijpelijk, maar maakt niet dat er een bijzondere afhankelijkheid van elkaar is in dit kader. Daarbij heeft verweerder terecht berokken dat eiseres, ondanks haar medische problemen, de zorgtaken met betrekking tot de kinderen vervult en daarbij een baan met een zelfstandig inkomen heeft. Een broer van referent werkt ook. Bovendien was deze rolverdeling al zo toen referent nog bij ze woonde. Zijn broer [eiser 3] is ondanks zijn handicap niet bijzonder afhankelijk van de materiële zorg van anderen. Uit de verklaringen van referent en de overgelegde medische stukken blijkt dat er voor [eiser 3] en zijn moeder medische zorg beschikbaar is in Turkije en dat zijn moeder recent een operatie heeft ondergaan, dus daarin zijn ze evenmin van referent afhankelijk. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat de banden met Nederland niet sterk zijn, nu eisers zijn geboren in Syrië en daar de lokale taal en cultuur kennen. Dat de zus van moeder en referent in Nederland wonen maakt niet dat de banden met Nederland daarom sterker zijn. Eisers zijn hier immers nooit geweest. Dat het gezin illegaal in Turkije verblijft heeft verweerder niet doorslaggevend hoeven achten, omdat niet is gebleken dat het gezin zich niet staande kan houden zonder de fysieke aanwezigheid van referent. Zoals hierboven is overwogen blijkt immers uit stukken en verklaringen van referent dat moeder de rol van verzorgende ouder heeft, dat zij en een broer werken en dat er medische zorg voorhanden is. Verweerder heeft gelet daarop ook kunnen concluderen dat het hele gezin daarom niet zodanig afhankelijk is van referent dat het bij hem in Nederland moet verblijven.
4.2.2
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat andersom ook niet is gebleken dat referent praktisch afhankelijk is van zijn gezinsleden. Zo woont hij zelfstandig, heeft hij een eigen huishouden en kookt hij zelf. Hij gaat daarnaast naar taalles en heeft al een baan gehad in Nederland. Ook heeft hij mensen bij wie hij terecht kan voor hulp en vragen. Verweerder heeft gelet hierop kunnen concluderen dat niet is gebleken dat er een praktische of emotionele afhankelijkheid is die zo sterk is dat het hele gezin bij referent in Nederland moet wonen.
4.2.3
De rechtbank is tenslotte van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat er ook geen sprake is van gezinsleven vanwege hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige broer en zussen. Daarvoor moet sprake zijn van omstandigheden waaruit blijkt dat referent in Syrië al een onmisbare rol vervulde in het leven van zijn broers en zussen. Dit is niet gebleken. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres de zorgtaken voor de kinderen in het gezin in Syrië vervulde en ook nu nog doet, niet referent. Dat referent daarbij wel eens hielp heeft verweerder als normaal kunnen zien in een broer-zus relatie en niet als een praktische afhankelijkheid in dit kader. Dat de band tussen referent en zijn broers en zussen sterk is sinds het overlijden van hun vader mocht verweerder ook als normaal in een broer-zus relatie aanmerken. Hierin heeft verweerder dus geen hechte persoonlijke banden hoeven zien als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Dit komt ook omdat uit alle andere feiten en omstandigheden bij elkaar genomen niet is gebleken dat er over en weer een zodanige afhankelijkheid is dat de broers en zussen niet zonder referent kunnen functioneren, en andersom.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.S. Clerx, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Zie artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:758.
Zie Werkinstructie 8 EVRM en Informatiebericht 2022/80 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Informatiebericht 2022/80 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.