Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:23581
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,735 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3139
Zaaknummer: C/09/665638
Datum beschikking: 18 juli 2024
Gezagsuitoefening en paspoortwet
Beschikking op het op 2 mei 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens te Wateringen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahbazi te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier met bijlagen van 9 mei 2024 van de vader.
Op 20 juni 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Fakili;
de advocaat van de moeder;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van 2012 tot 2022.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , Afghanistan.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 november 2023 is, voor zover hier van belang:
bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
bepaald dat [minderjarige] als volgt bij de moeder zal verblijven: drie weekenden achter elkaar, vanaf vrijdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur en gedurende de helft van de vakanties;
toestemming aan de vader verleent – welke de toestemming van de moeder vervangt – om [minderjarige] aan te melden bij GGZ Rivierduinen om onderzoek te verrichten en [minderjarige] te behandelen voor haar angstklachten.
In de Basisregistratie Personen is opgenomen dat de ouders een onbekende nationaliteit hebben.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
toestemming aan hem te verlenen, welke de toestemming van de moeder vervangt, om een aanvraag tot naturalisatie in te dienen voor [minderjarige] en om te verklaren dat er geen bezwaar is tegen vaststelling van de naam ‘ [minderjarige] ’;
een verklaring van toestemming af te geven, die de verklaring van toestemming van de moeder vervangt, voor de aanvraag van een reisdocument voor [minderjarige] ;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader.
Beoordeling
Vervangende toestemming mede-naturalisatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Uit de stukken volgt dat beide ouders een vanuit Afghanistan zijn gevlucht en [minderjarige] in Afghanistan is geboren.
Het verzoek betreft een geschil over het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter).
Krachtens artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Op grond van artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht op dit verzoek van toepassing.
Wettelijk kader
Artikel 2 lid 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet) bepaalt dat verklaringen en verzoeken van minderjarigen (in de zin van de Rijkswet) door hun wettelijke vertegenwoordigers worden afgelegd en ingediend, tenzij anders bepaald. In het vierde lid van artikel 2 van de Rijkswet is opgenomen dat de wettelijk vertegenwoordiger op zijn verzoek in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over de (mede)verkrijging van het Nederlanderschap.
Als de minderjarige geen geslachtsnaam of voornaam heeft of indien de juiste spelling daarvan niet vaststaat, zullen deze, op grond van artikel 12 lid 1 van de Rijkswet en artikel 36 lid 4 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het Besluit), in overleg met de wettelijk vertegenwoordigers worden vastgesteld bij het besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend. In het vijfde lid van artikel 36 van het Besluit is opgenomen dat de wettelijk vertegenwoordigers in de gelegenheid worden gesteld ook hierover hun zienswijze(n) in te dienen.
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening in een geschil tussen de gezaghebbende ouders een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geschil in de zin van dit artikel.
Beoordeling
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] en zijn dus samen wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] . Dat betekent dat het verzoek tot (mede)naturalisatie van [minderjarige] , gelet op het bepaalde in artikel 2 lid 3 van de Rijkswet, in beginsel gezamenlijk door hen moet worden ingediend.
De vader wenst naturalisatie voor zichzelf en wil graag dat [minderjarige] ook genaturaliseerd wordt en daarmee de Nederlandse nationaliteit verkrijgt en dat haar naam wordt vastgesteld. De vader acht de Nederlandse nationaliteit in het belang van [minderjarige] . Het biedt haar vele voordelen en ontwikkelingsmogelijkheden. Ze kan dan een Nederlands paspoort aanvragen, ze heeft dan niet langer een verblijfsvergunning nodig, ze kan vrij reizen binnen Europa, ze mag bij meerderjarigheid stemmen bij Nederlandse verkiezingen en ze mag werken in openbare functies.
De vader stelt dat de moeder haar medewerking tot de indiening van het verzoek weigert. Hij heeft de moeder meermaals verzocht om de formulieren betreffende de naturalisatie te ondertekenen, maar volgens de vader reageert zij niet. Namens de moeder is op de zitting bevestigd dat zij niet aan de indiening van het verzoek tot naturalisatie wil meewerken. De moeder heeft geen inhoudelijke bezwaren tegen de naturalisatie van [minderjarige] , maar vindt dat van haar niet kan worden verlangd medewerking te verlenen aan de vader zolang zij [minderjarige] niet ziet. Omdat de ouders aldus van mening verschillen over de (medewerking tot) indiening van het verzoekschrift tot naturalisatie, zal de rechtbank daarover een beslissing nemen die haar in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
De rechtbank zal de vader toestemming geven, die de toestemming/medewerking van de moeder vervangt, om het verzoek tot naturalisatie in te dienen en daarbij haar naam te laten vaststellen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de vader genoegzaam heeft toegelicht dat het in het belang van [minderjarige] is het verzoek tot naturalisatie in te dienen. Dat [minderjarige] op dit moment geen contact heeft met de moeder is zorgelijk, maar staat los van het belang van [minderjarige] bij naturalisatie. Een en ander neemt niet weg dat de moeder, op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 4 van de Rijkswet en artikel 36 lid 5 van het Besluit, haar zienswijze omtrent de naturalisatie en de naamvaststelling kenbaar kan maken. Eventuele inhoudelijke bezwaren van de moeder tegen de naturalisatie van [minderjarige] worden vervolgens beoordeeld door de autoriteit die beslist op het verzoek tot naturalisatie. Het indienen van een zienswijze is niet verplicht. De vader is dan ook niet verplicht een ingevuld formulier met de zienswijze van de moeder bij zijn verzoek te voegen. Zijn verzoek moet ook zonder zienswijze van de moeder in behandeling worden genomen.
Vervangende toestemming aanvraag reisdocument
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Zoals hiervoor overwogen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om naar Nederlands recht op dit verzoek te beslissen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Volgens het tweede lid van dit artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die voordat hij beslist een vergelijk tussen beide personen beproeft. Krachtens het vijfde lid van dit artikel geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank zal de door de vader verzochte vervangende toestemming op grond van artikel 34, tweede lid, Paspoortwet beoordelen.
Beoordeling
Nu de moeder geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de aanvraag van een nieuw reisdocument voor [minderjarige] en de rechtbank dit verzoek van de vader in het belang van [minderjarige] acht, zal het verzoek tot vervangende toestemming voor de aanvraag van een reisdocument voor [minderjarige] als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Dictum
De rechtbank:
verleent toestemming aan de vader – welke de toestemming/medewerking van de moeder vervangt – om het verzoek tot naturalisatie van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (Afghanistan), in te dienen en daarbij haar naam te laten vaststellen;
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument voor [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. A.M. Lokhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 juli 2024.