Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:23561
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,453 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Zaak- en rekestnummers:
C/09/645765 en FA RK 23-2590 (echtscheiding)
C/09/655907 en FA RK 23-7763 (verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap)
Datum beschikking: 11 juli 2024
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 7 april 2023 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.D. Verwoerd te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.A. Sobral te ‘s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier met bijlage van 4 mei 2023 van de man;
het F9-formulier met bijlage van 12 mei 2023 van de man;
het F9-formulier van 26 juni 2023 van de man;
het verweerschrift, tevens zelfstandige verzoeken, van de vrouw, binnengekomen op
28 juni 2023;
het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, tevens aanvullende verzoeken van de man, binnengekomen op 22 augustus 2023;
het verweerschrift op de aanvullende verzoeken, van de vrouw, binnengekomen op
23 oktober 2023;
het F9-formulier met bijlagen van 12 maart 2024 van de vrouw;
het F9-formulier met bijlagen van 12 maart 2024 van de man, tevens inhoudende een aanvullend verzoekschrift;
het F9-formulier met bijlagen van 19 maart 2024 van de vrouw;
het F9-formulier met bijlagen van 21 maart 2024 van de man.
Op 22 maart 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Door de advocaat van de man is pagina 6 van de pleitnota overgelegd en is alinea 26 hiervan voorgedragen.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
het F9-formulier met bijlagen van 12 april 2024 van de vrouw;
het F9-formulier met bijlagen van 26 april 2024 van de man;
het F9-formulier met bijlagen van 10 mei 2024 van de vrouw.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2018 te [woonplaats 1] .
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] .
De vrouw is ook de moeder van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2010 te [geboorteplaats 2] .
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit.
Volgens een uittreksel uit de Basisregistratie Personen heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Slowaakse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen om:
te beslissen conform hetgeen in het ouderschapsplan is opgenomen en dit ouderschapsplan geheel in de beschikking op te nemen;
indien partijen geen door hen beiden ondertekend ouderschapsplan kunnen overleggen:
bepaling dat [minderjarige 1] in de Basisregistratie Personen op het adres van de man wordt ingeschreven;
bepaling dat de volgende zorg -en contactregeling zal gelden, waarbij [minderjarige 1] in de even weken van maandag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school en in de oneven weken van maandag uit school tot de -naar de rechtbank begrijpt de daaropvolgende maandag- ochtend naar school bij de man zal zijn en waarbij zij derhalve in de oneven weken bij de vrouw zal zijn van maandag na school tot de daaropvolgende maandag naar school en daarbij te bepalen dat in het geval [minderjarige 1] geen school heeft op maandag, de wissel om 10:00 uur zal plaatsvinden, waarbij de ouder bij wie [minderjarige 1] verblijft haar brengt naar de BSO of – als de BSO dicht is of partijen andere afspraken hebben gemaakt, naar de andere ouder, en waarbij ten aanzien van de vakanties en feestdagen het volgende zal gelden:
o zomervakantie: verdeling bij helfte, waarbij in de oneven jaren de eerste week bij de man zal zijn, dan twee weken bij de vrouw, vervolgens weer twee weken bij de man en tot slot een week bij de vrouw en de even jaren andersom, waarbij de vakantie aan zal vangen op de maandag na de laatste schooldag en het wisselmoment op maandag om 10:00 uur zal zijn via de BSO, tenzij partijen daar in onderling overleg andere afspraken over maken;
o voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
o herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
o kerst- en meivakantie: de reguliere regeling loopt door;
o Kerstdagen: in de even jaren blijft [minderjarige 1] op Kerstavond bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man. Daarbij zal [minderjarige 1] ieder jaar op Eerste Kerstdag (tevens de verjaardag van de man) bij de man zijn en ieder jaar op Tweede Kerstdag bij de vrouw;
o verjaardag vrouw: conform de reguliere regeling, waarbij de man – indien [minderjarige 1] bij hem verblijft – [minderjarige 1] in de gelegenheid zal stellen om de vrouw persoonlijk te feliciteren via facetime/videobellen;
o verjaardag [minderjarige 1] : in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, waarbij de andere ouder de gelegenheid krijgt om [minderjarige 1] op de dag zelf te feliciteren via facetime/videobellen;
o Goede Vrijdag en Pasen: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
o Hemelvaartsdag: conform de reguliere regeling;
o Pinksteren: conform de reguliere regeling;
o Koningsdag: conform de reguliere regeling;
o Oud en Nieuw: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
o Sinterklaas: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
o Vaderdag: alle jaren bij de man, waarbij de vrouw [minderjarige 1] in de jaren dat zij op Vaderdag conform de reguliere regeling bij de vrouw verblijft, haar om 10:00 uur zal brengen naar de man, waarna zij bij hem blijft tot maandag naar school;
o Moederdag: alle jaren bij de vrouw, waarbij de man [minderjarige 1] in de jaren dat zij op Moederdag conform de reguliere regeling bij de man verblijft, haar om 10:00 uur zal brengen naar de vrouw, waarna zij bij haar blijft tot maandag naar school;
o Ten aanzien van de vakanties geldt daarnaast dat het wisselmoment om 12:00 uur is op de wisseldag en dat de ouder bij wie [minderjarige 1] op dat moment verblijft haar zal brengen naar de andere ouder;
bepaling dat de vrouw met ingang van de datum van het aanvullend verzoekschrift, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, een bedrag van
€ 72,- per maand, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, dient te voldoen aan de man ter compensatie van de reiskosten van de zorgregeling;
de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] , met ingang van de datum van het aanvullend verzoekschrift, althans met ingang van een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vast te stellen op € 1.373,- per maand, althans vast te stellen op een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor het kind zal of kan worden verleend;
de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man, met ingang van de datum van het aanvullend verzoekschrift, althans met ingang van een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vast te stellen op € 3.348,- per maand, althans vast te stellen op een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaling dat de vrouw bij uitsluiting van de man de huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] ;
het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant te hechten en deel uit te laten maken van de door de rechtbank te wijzen beschikking;
indien en voor zover partijen geen door hen beiden ondertekend echtscheidingsconvenant kunnen overleggen:
de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform het onder punt 67 tot en met punt 102 van het aanvullend verzoekschrift door de man benoemde voorstel;
de vrouw te veroordelen c.q. te gelasten om binnen zeven dagen na dagtekening van de ten dezen te wijzen (tussen)beschikking alle onderliggende bescheiden c.q. bewijsstukken in het geding te brengen die de vrouw onder zich houdt, onder andere maar niet beperkt tot:
alle bankafschriften op naam van de vrouw over de huwelijkse periode van 2018 tot en met de datum van verstrekking van de stukken, subsidiair in ieder geval vanaf 2020 tot en met de datum van verstrekking van de stukken, meer subsidiair vanaf zes maanden voor indiening van dit verzoekschrift tot en met de datum van verstrekking van de stukken;
stukken betreffende de waarde van de gelden op het account van de Trustly Group over de periode vanaf de aanvang van het huwelijk tot aan de datum van verstrekking van de stukken;
de jaarstukken 2023 van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V., waaronder in ieder geval een kasstroomoverzicht, de resultatenrekening en de jaarrekening, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft met het verstrekken van bovengenoemde informatie;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft zijn verzoek over de reiskostenvergoeding ter compensatie van de zorgregeling van [minderjarige 1] op de zitting ingetrokken. De rechtbank heeft op dit punt daarom niet meer te beslissen.
Beoordeling
Beide partijen verzoeken de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken. Tussen partijen staat daarmee vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken tot echtscheiding worden daarom, als op de wet gegrond, toegewezen.
Omdat partijen geen gezamenlijk ondertekend echtscheidingsconvenant hebben overgelegd, zal de rechtbank het verzoek van de man om het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant te hechten en deel uit te laten maken van de door de rechtbank te wijzen beschikking, afwijzen.
De inschrijving van [minderjarige 1] in de Basisregistratie Personen (BRP)
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken over de ouderlijke verantwoordelijkheid, omdat [minderjarige 1] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Krachtens artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht op deze verzoeken van toepassing, omdat de Nederlandse rechter bevoegd is.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub b BW kan de rechtbank de beslissing nemen bij welke ouder het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft en dus op welk adres zij in de BRP zal worden ingeschreven.
Beoordeling
Beide partijen geven aan dat het niet nodig is om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij één van hen vast te stellen, omdat zij in onderling overleg een coouderschapsregeling zijn overeengekomen. Beide partijen hebben echter wel verzocht om [minderjarige 1] in te schrijven op hun adres in de BRP. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat partijen na hun uiteengaan samen hebben besloten om [minderjarige 1] op het adres van de man in te schrijven. De vrouw wil dit wijzigen, omdat zij er geen vertrouwen in heeft dat de man haar op de hoogte houdt van informatie rondom [minderjarige 1] . De man betwist dit en geeft aan dat hij de vrouw wel degelijk informeert over [minderjarige 1] . Bij hem leeft ook de angst dat bij inschrijving van [minderjarige 1] op het adres van de vrouw, hij door haar niet op de hoogte zal worden gehouden over informatie rondom [minderjarige 1] . Gezien deze stand van zaken, waarbij partijen na hun uiteengaan in onderling overleg hebben afgesproken dat [minderjarige 1] op het adres van de man zal worden ingeschreven en partijen een co-ouderschapsregeling zullen volgen, ziet de rechtbank geen reden om de destijds gemaakte afspraak nu te wijzigen. [minderjarige 1] zal dus op het adres van de man ingeschreven blijven staan. Het verzoek van de man ten aanzien van de inschrijving in de BRP wordt daarom toegewezen en dat van de vrouw afgewezen.
Verdeling van de zorg – en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Zoals hiervoor uiteengezet is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen over de verdeling van de zorg – en opvoedingstaken.
Beoordeling
Partijen hebben in de loop van de procedure gedeeltelijke overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Gedurende de reguliere zorgregeling verblijft [minderjarige 1] in de even weken van maandag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school bij de man en in de oneven weken van maandag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school bij de vrouw, waarbij de overdracht in beginsel via de BSO/school van [minderjarige 1] verloopt. Indien er geen school is of de BSO dicht is, zal de ouder waar [minderjarige 1] op dat moment verblijft haar om 10:00 uur naar de andere ouder brengen.
Daarnaast hebben partijen overeenstemming bereikt over de volgende vakantie- en feestdagen regeling:
voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
kerst- en meivakantie: de reguliere regeling loopt door;
verjaardag [minderjarige 1] : in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, waarbij de andere ouder de gelegenheid krijgt om [minderjarige 1] op de dag zelf te feliciteren via facetime/videobellen;
Goede Vrijdag en Pasen: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
Hemelvaartsdag: conform de reguliere regeling;
Pinksteren: conform de reguliere regeling;
Koningsdag: conform de reguliere regeling;
Oud en Nieuw: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
Sinterklaas: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
verjaardag vrouw: volgens de reguliere zorgregeling, de man stelt [minderjarige 1] in de gelegenheid om de vrouw persoonlijk te feliciteren via facetime/videobellen indien zij op dat moment bij hem verblijft;
Vaderdag: indien [minderjarige 1] bij de vrouw verblijft, brengt zij haar naar de man om 10:00 uur, waarna zij bij hem verblijft tot maandag naar school;
Moederdag: indien [minderjarige 1] bij de man verblijft brengt hij haar naar de vrouw om 10:00 uur, waarna zij bij haar verblijft tot maandag naar school.
De rechtbank acht bovenstaande zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] en zal in overeenstemming hiermee beslissen.
Partijen hebben ten aanzien van de zorgregeling nog discussie over de hiernavolgende onderwerpen, waarover de rechtbank een beslissing zal nemen:
de verdeling van de zomervakantie: de rechtbank zal bepalen dat [minderjarige 1] drie aaneengesloten weken bij iedere ouder zal verblijven, in onderling overleg tussen partijen te bepalen. Partijen hebben op de zitting aangegeven dat zij het beiden niet wenselijk vinden dat [minderjarige 1] vier aaneengesloten weken bij één ouder is. Partijen zullen dit daarom praktisch moeten ondervangen, door de zomervakantie weken zo op de reguliere zorgregeling te laten aansluiten dat [minderjarige 1] niet vier aaneengesloten weken bij één ouder is. Daarnaast zijn partijen op de zitting voor de zomervakantie contactmomenten met de andere ouder overeengekomen. Deze contactmomenten zullen iedere maandag en donderdag tussen 17:00 en 18:00 uur plaatsvinden, met mogelijk extra contactmomenten indien [minderjarige 1] hier behoefte aan heeft;
de wisseldag in de zomervakantie: de vrouw verzoekt om deze vast te stellen op de zaterdag volgend op de laatste schooldag, de man verzoekt om deze vast te stellen op de maandag volgend op de laatste schooldag. Gezien deze verzoeken zal de rechtbank in redelijkheid de wisseldag vaststellen op de zondag volgend op de laatste schooldag;
de kerstdagen: De man verzoekt te bepalen dat in de even jaren [minderjarige 1] op kerstavond bij de vrouw verblijft en in de oneven jaren bij de man. Daarbij zal [minderjarige 1] ieder jaar op eerste kerstdag (tevens de verjaardag van de man) bij de man zijn en ieder jaar op tweede kerstdag bij de vrouw. De vrouw verzoekt te bepalen dat [minderjarige 1] in de even jaren bij de vrouw verblijft van 24 december 10:00 uur tot 26 december 10:00 uur en in de oneven jaren bij de man verblijft van 24 december 10:00 uur tot 26 december 10:00 uur.
De rechtbank begrijpt de wens van de man om [minderjarige 1] op zijn verjaardag te zien.
De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige 1] in de even jaren van 24 december vanaf 10:00 uur tot eerste kerstdag om 15:00 uur bij de man zal verblijven en vervolgens op de eerste kerstdag vanaf 15:00 uur en tweede kerstdag bij de vrouw. In de oneven jaren geldt bovenstaande regeling andersom. [minderjarige 1] verblijft dan op 24 december vanaf 10:00 uur tot eerste kerstdag om 15:00 uur bij de vrouw en de eerste kerstdag vanaf 15:00 en tweede kerstdag bij de man. Deze regeling zorgt er voor dat de man elk jaar contact heeft met [minderjarige 1] op zijn verjaardag. Ook kunnen partijen een moment overeenkomen op de verjaardag van de vrouw, waarbij er contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw is, bijvoorbeeld voor een moment om taart te eten.
Hulpverlening
Partijen hebben gedurende de procedure overeenstemming bereikt over een coouderschapsregeling. Desondanks blijkt uit de stukken en dat wat tijdens de zitting is besproken dat de communicatie tussen partijen de afgelopen tijd zeer is verslechterd. De rechtbank heeft op de zitting langere tijd met partijen stilgestaan bij deze verslechterde communicatie.
De raadsmedewerker heeft op de zitting een hulpverleningstraject bij M. Lubach voorgesteld. Zij is gespecialiseerd in complexe echtscheidingszaken, mede vanuit het programma Scheiden zonder Schade. Na de schorsing van de zitting hebben partijen aangegeven dat het hun intentie is om dit traject aan te gaan. Partijen dienen zich hier zelf voor aan te melden.
Naast het traject bij M. Lubach hebben beide ouders op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Afgifte van stukken
In het kader van de kinder- en partneralimentatie heeft de man zich op artikel 21, 22 en 843a Rv. beroepen. Volgens de man dient de vrouw inzage te verschaffen in haar financiën en in die van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. om de alimentatieverplichtingen en de verdeling van de beperkte gemeenschap te kunnen uitvoeren. De man verzoekt inzage in de volgende stukken:
alle bankafschriften op naam van de vrouw over de huwelijkse periode van 2018 tot en met de datum van verstrekking van de stukken, subsidiair in ieder geval vanaf 2020 tot en met de datum van verstrekking van de stukken, meer subsidiair vanaf zes maanden voor indiening van dit verzoekschrift tot en met de datum van verstrekking van de stukken;
stukken betreffende de waarde van de gelden op het account van de Trustly Group
(een gok website waarop de vrouw volgens de man geld van de beperkte gemeenschap heeft vergokt, productie 68) over de periode vanaf de aanvang van het huwelijk tot aan de datum van verstrekking van de stukken;
de jaarstukken 2023 van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V., waaronder in ieder geval een kasstroomoverzicht, de resultatenrekening en de jaarrekening.
De man heeft aan dit verzoek een dwangsom verbonden van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft om de verzochte stukken te verstrekken.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen, nu de man de verzochte stukken al eerder in de procedure had kunnen verzoeken.
Beoordeling
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van het aanvullend verzoekschrift, omdat de vrouw vanaf dat moment rekening kon houden met een te betalen bedrag aan kinderalimentatie, zijnde 22 augustus 2023.
Behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De rechtbank zal in dit geval zowel de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] als de behoefte van [minderjarige 1] vaststellen, nu beide behoeften in geschil zijn en de vrouw ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] .
De rechtbank zal de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] per heden vaststellen. Uit de destijds vastgestelde berekening van de kinderalimentatie voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] blijkt dat de kinderalimentatie toen is vastgesteld op basis van het inkomen dat hun ouders hadden toen zij in een schuldhulpverleningstraject zaten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het huidige inkomen van de vrouw het gezinsinkomen van destijds overstijgt. Daarom zal de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] worden gebaseerd op het huidige inkomen van de vrouw, zijnde € 5.149,- bruto per maand, zoals volgt uit de salarisspecificatie van februari 2024. Daarnaast stelt de man dat de vrouw € 2.500,- per maand aan contante betalingen ontvangt. De vrouw heeft op de zitting erkend dat er een contante geldstroom is van tussen de € 500,- en
€ 1.500,- per maand. Een deel van deze contante geldstroom ging terug in het bedrijf (besteed aan bonussen voor het personeel en bedrijfsfeestjes) en een deel werd privé aan de vrouw uitgekeerd, aldus de vrouw. De rechtbank zal, bij gebrek aan verifieerbare stukken, in redelijkheid de zwarte geldstroom vaststellen op € 1.250,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.914,- per maand. Ook houdt de rechtbank rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop die de vrouw ontvangt. Deze laatste post wordt helaas niet expliciet weergegeven in de INA-berekening. Zoals uit berekening blijkt heeft de rechtbank rekening gehouden met een bedrag van € 634,- per maand aan KGB + AOK. De behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] bedraagt daardoor € 1.348,- per maand, zijnde € 674,- per kind per maand.
Behoefte van [minderjarige 1]
Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de behoefte van [minderjarige 1] .
Zij stellen deze vast op € 669,- per maand in 2023.
De man stelt dat dit tabelbedrag moet worden verhoogd met de netto kinderopvangkosten van € 1.010,- per maand.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van de kinderopvang worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanig hoge kosten voor kinderopvang in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag.
De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd waarom de netto opvangkosten niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het tabelbedrag te verhogen. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kosten € 1.679,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze (verhoogde) behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht van de vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van het hiervoor vermelde inkomen van € 5.149,- bruto per maand (zoals volgt uit de salarisspecificatie van december 2023) plus € 1.250,- netto per maand. De rechtbank passeert daarbij het standpunt van de man dat bij de draagkracht van de vrouw uitgegaan dient te worden van een bruto jaarinkomen van € 90.000,-, gebaseerd op de exploitatiebegroting van 2023. Uit de stukken blijkt namelijk dat zeer recent, in oktober 2022, het inkomen van de vrouw al omhoog is bijgesteld naar € 5.149,- bruto per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om op basis van een exploitatiebegroting dit inkomen nog verder naar boven bij te stellen, nu de vrouw op de zitting ook heeft toegelicht dat voor de weggevallen arbeidskosten van de man nieuwe arbeidskosten zullen ontstaan voor de medewerker die zijn taken zal overnemen.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
De rechtbank houdt daarnaast aan de zijde van de vrouw ook rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2023 op € 5.069,- per maand. De draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie bedraagt € 1.796,- per maand. Zoals uit de berekening volgt, is hiervan een bedrag van € 996,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1] .
Draagkracht van de man
De man stelt dat hij de minimale draagkracht voor kinderalimentatie heeft van € 25,- per maand. Hij geeft aan dat hij zich gedwongen voelde om uit de onderneming te stappen waar partijen gedurende het huwelijk samen in werkten en hij kan wegens het verloop van de echtscheiding en de ontvlechting van de onderneming nu niet werken, dus hij heeft momenteel geen inkomen. Indien de rechtbank rekening houdt met een verdiencapaciteit van de man, verzoekt de man om uit te gaan van het inkomen dat hij verdiende voordat hij bij de gezamenlijke onderneming werkte van € 34.596,- bruto per jaar, eventueel geïndexeerd met 3% per jaar.
De vrouw betwist de stelling van de man en geeft aan dat hij zijn verdiencapaciteit volledig moet benutten. De man heeft niet met stukken onderbouwd dat hij op dit moment om medische redenen niet zou kunnen werken. De vrouw acht de man in staat om tenminste een inkomen te verwerven van € 55.000,- bruto per jaar.
De rechtbank zal uitgaan van een verdiencapaciteit voor de man van € 41.309,- bruto per jaar. Dit is het jaarinkomen wat de man in 2017 verdiende (€ 34.596,-), geïndexeerd met een loonstijging van 3% per jaar. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond dat hij om medische redenen momenteel niet in staat is om arbeid te verrichten. De overgelegde brief van de personal coach van de man is onvoldoende om dit standpunt nader te onderbouwen. De man stelt dat hij op zoek is naar een baan, maar dit nu niet lukt. Ook dit standpunt blijkt onvoldoende uit de overgelegde sollicitaties, nu dit geen officiële sollicitaties zijn, maar slechts een drietal appjes of mailtjes om koffie te drinken of om langs te komen. De rechtbank is van oordeel dat van de man verwacht kan worden dat hij binnen afzienbare tijd een eigen inkomen kan verwerven.
Beoordeling
Uit de berekening ten aanzien van de kinderalimentatie volgt dat de vrouw geen draagkracht heeft om naast de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] partneralimentatie te voldoen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot vaststelling van een bedrag aan partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen.
Huurrecht van de echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 4 lid 3 onder a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht met betrekking tot dit verzoek, omdat de echtelijke woning in Nederland ligt.
Op grond van artikel 7:266 lid 5 BW past de rechtbank Nederlands recht toe.
Beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw het huurrecht van de echtelijke woning kan voortzetten. De rechtbank zal het verzoek van de man ten aanzien van het huurrecht van de echtelijke woning daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 5 van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 betreffende de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwvermVo) is de Nederlandse rechter bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen, omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft inzake het echtscheidingsverzoek.
Als gevolg van de huwelijksdatum van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Niet gebleken is dat partijen vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Op grond van artikel 4 lid 1 van voormeld verdrag is in dat geval het recht van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na sluiting van het huwelijk van toepassing, in dit geval Nederlands recht.
Partijen zijn gehuwd na 1 januari 2018, waardoor er tussen partijen een wettelijk beperkte gemeenschap van goederen bestaat. Dit betekent dat alleen dat wat de echtgenoten tijdens hun huwelijk hebben opgebouwd, alsmede de goederen die vóór het huwelijk aan hen gezamenlijk toebehoorden, tot de gemeenschap behoort. Het vermogen dat ieder van partijen voor het huwelijk had, alsmede schenkingen en erfenissen, blijft privévermogen.
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 7 april 2023.
Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.
Omvang
Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vallen:
de inboedel;
de banksaldi;
de portefeuille aan cryptovaluta;
vergoedingsrechten;
overige vorderingen.
Daarnaast hebben partijen ook nog schulden opgevoerd.
Ad. 1: de inboedel
De vrouw stelt dat partijen de gezamenlijke inboedelgoederen al hebben verdeeld.
De man heeft een inboedellijst overgelegd met in het groen gemarkeerd de inboedelgoederen die hij wil ontvangen en in het oranje gemarkeerd de gezamenlijke goederen die verdeeld kunnen worden. De man heeft op 12 maart 2024 een hoop aanvullende stukken overgelegd, waaronder als producties 62 en 63 een inboedellijst, bonnen en een voorstel tot verdeling. Op dat moment heeft de man pas de reeds eerder door hem bij verweerschrift op zelfstandige verzoeken van 18 augustus 2023 toegezegde productie 7 overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, in het licht van de betwisting door de man, niet heeft aangetoond dat de gezamenlijke inboedelgoederen al zijn verdeeld. Dat betekent dat de gezamenlijke inboedelgoederen alsnog verdeeld moeten worden, waarbij rekening gehouden moet worden met artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst, waarin is bepaald dat alle inboedelgoederen die partijen op het moment van ondertekening van die overeenkomst in bezit hadden aan de man toebehoren. Nu de vrouw niet afdoende heeft kunnen reageren op producties 17, 62 en 63, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw alsnog privégoederen waarvan de man aantoont dat deze privé zijn aan hem doet toekomen, met inachtneming van wat de vrouw in haar akte van 16 april 2024 heeft gesteld maar bij latere akte van 10 mei 2024 heeft ingetrokken en zij de gezamenlijke inboedelgoederen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen.
Ad. 2: de banksaldi
De vrouw heeft een voorstel tot verdeling van de saldi gedaan, zonder nadere verrekening. De rechtbank begrijpt uit de akte uitlaten van de man van 26 april 2024 dat de man met dit voorstel niet instemt. Dat betekent dat partijen conform de wettelijke regeling elkaar over en weer inzage moeten geven in de banksaldi op de peildatum en op de huwelijksdatum en het (positieve) verschil dienen zij bij helfte te verdelen. Omdat de rechtbank geen inzage heeft in de banksaldi van partijen op bovenstaande data, zal de rechtbank hier geen bedragen aan kunnen verbinden.
Ad. 3: de portefeuille met cryptovaluta
Doordat er sprake is van een beperkte gemeenschap zijn er drie vermogens, het privévermogen van iedere echtgenoot en het gemeenschappelijke vermogen. Op grond van artikel 1:94 BW behoren tot die beperkte gemeenschap de goederen en schulden die voor de huwelijkssluiting echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en dat wat vanaf de huwelijkssluiting is verkregen.
De rechtbank overweegt als volgt. De cryptorekening betreft een vermogensbestanddeel dat de man al voor het huwelijk had, enkel op zijn naam stond en daardoor verondersteld wordt in privé aan de man toe te behoren. De stelling van de vrouw dat partijen een andere bedoeling hadden, namelijk dat zij gezamenlijk wilde investeren in cryptovaluta met het oog op hun toekomst als één gezin, wordt door de man betwist en is door de vrouw niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank voorbijgaat aan haar standpunt dat de portefeuille aan cryptovaluta een vermogensbestanddeel was dat voorafgaand aan het huwelijk aan partijen gezamenlijk toebehoorden. Het voorgaande laat onverlet dat de vrouw of de beperkte gemeenschap een vergoedingsrecht kan hebben als er stortingen op de privérekening van de man zijn gedaan tijdens het huwelijk. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft van € 32.890,-. Ten aanzien van dit bedrag verwijst de vrouw onder andere naar een storting van € 24.000,- op 12 juli 2018 en de overige stortingen daarna zoals door haar uiteengezet in productie 33. Dit betreft een vergoedingsrecht van stortingen die voorafgaand aan het huwelijk zijn verricht. Voor de tijdens het huwelijk aan de man verrichte stortingen stelt de vrouw dat zij een aanvullend vergoedingsrecht heeft van € 5.110,-.
De man stelt zich op het standpunt dat de door de vrouw verrichte stortingen niet zagen op investeringen in de cryptovaluta, maar op de aflossing van een persoonlijke lening van de vrouw aan hem en vergoedingen voor de kosten van de huishouding. Met betrekking tot de door de vrouw aangehaalde storting van € 24.000,- merkt de man aanvullend op dat deze storting zag op hoge advocaatkosten die zouden volgen, omdat de vrouw een juridische procedure voerde tegen de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
De rechtbank overweegt als volgt. Een groot deel van de discussie van partijen gaat over een bedrag van € 24.000,- dat de vrouw voorafgaand aan het huwelijk op de rekening van de man heeft gestort. Op dit bedrag is het voorhuwelijks vermogensregime van toepassing en dit bedrag valt dus niet in de beperkte gemeenschap. De rechtbank beschouwt dit verzoek van de vrouw als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 sub f Rv. Uit de door de man overgelegde productie 8 blijkt dat hij tot het moment van het huwelijk een bedrag van € 19.076,09 had geïnvesteerd in de cryptovaluta.
Dictum
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2018 te [woonplaats 1] ;
*
bepaalt dat [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] , in de Basisregistratie Personen op het adres van de man ingeschreven zal (blijven) staan;
*
bepaalt dat [minderjarige 1] als volgt bij iedere ouder zal verblijven:
gedurende de reguliere zorgregeling: in de even weken van maandag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school bij de man en in de oneven weken van maandag uit school tot de daaropvolgende maandag naar school bij de vrouw, waarbij de overdracht in beginsel via de BSO/school van [minderjarige 1] verloopt. Indien er geen school is of de BSO dicht is, zal de ouder waar [minderjarige 1] op dat moment verblijft haar om 10:00 uur naar de andere ouder brengen;
zomervakantie: drie aaneengesloten weken bij iedere ouder, door de ouders in onderling overleg te bepalen, waarbij er iedere maandag en donderdag tussen 17:00 en 18:00 uur contact zal plaatsvinden met de andere ouder, met mogelijk extra contactmomenten indien [minderjarige 1] hier behoefte aan heeft. Het wisselmoment vindt in de zomervakantie plaats op de zondag volgend op de laatste schooldag, op een in onderling overleg tussen de ouders te bepalen tijdstip;
voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
kerst- en meivakantie: de reguliere regeling loopt door;
Kerstdagen: in de even jaren op 24 december vanaf 10:00 uur tot Eerste Kerstdag om 15:00 uur bij de man en op de Eerste Kerstdag vanaf 15:00 uur en Tweede Kerstdag bij de vrouw. In de oneven jaren verblijft [minderjarige 1] op 24 december vanaf 10:00 uur tot Eerste Kerstdag om 15:00 uur bij de vrouw en de Eerste Kerstdag vanaf 15:00 en Tweede Kerstdag bij de man;
verjaardag [minderjarige 1] : in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, waarbij de andere ouder de gelegenheid krijgt om [minderjarige 1] op de dag zelf te feliciteren via facetime/videobellen;
Goede Vrijdag en Pasen: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
Hemelvaartsdag: conform de reguliere regeling;
Pinksteren: conform de reguliere regeling;
Koningsdag: conform de reguliere regeling;
Oud en Nieuw: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
Sinterklaas: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
verjaardag vrouw: volgens de reguliere regeling, indien [minderjarige 1] volgens de reguliere regeling op die dag bij de man verblijft, stelt hij [minderjarige 1] in de gelegenheid om de vrouw persoonlijk te feliciteren via facetime/videobellen;
Vaderdag: indien [minderjarige 1] bij de vrouw verblijft, brengt zij haar naar de man om 10:00 uur, waarna zij bij hem verblijft tot maandag naar school;
Moederdag: indien [minderjarige 1] bij de man verblijft brengt hij haar naar de vrouw om 10:00 uur, waarna zij bij haar verblijft tot maandag naar school;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de man] (de vader),
wonende aan de [adres 2] , [postcode 2] te [woonplaats 1] ,
en
[de vrouw] (de moeder),
wonende aan de [adres 1] , [postcode 1] te ’ [plaats 1] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van 22 augustus 2023, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 694,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres 1] , [postcode 1] te [plaats 1] ;
*
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1
de helft van de gezamenlijke inboedelgoederen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen;
1.2
de saldi van de bankrekening(en) die op zijn naam staan, onder verrekening van het positieve verschil van de saldi op de peildatum (7 april 2023) ten opzichte van de saldi op de huwelijksdatum ( [datum] 2018);
1.3
de portefeuille met cryptovaluta;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1
de helft van de gezamenlijke inboedelgoederen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen;
2.2
de saldi van de bankrekening(en) die op haar naam staan, onder verrekening van het positieve verschil van de saldi op de peildatum (7 april 2023) ten opzichte van de saldi op de huwelijksdatum ( [datum] 2018);
*
bepaalt dat de man, als gevolg van het vastgestelde vergoedingsrecht van de vrouw in verband met de investeringen in de portefeuille met cryptovaluta, € 5.110,- aan de vrouw dient te voldoen, vermeerderd met de beleggingsleer;
*
bepaalt dat de vrouw, als gevolg van de vastgestelde vergoedingsrechten en vorderingen, de volgende bedragen aan de man dient te voldoen:
€ 7.300,- € 7.300,- als gevolg van aflossing van privéschulden van de vrouw met privévermogen van de man;
€ 7.300,- € 2.187,- als gevolg van de aflossing van privéschulden van de vrouw met gezamenlijk vermogen van partijen;
€ 7.300,- € 375,- als gevolg van de aflossing van een privéschuld van de vrouw met gezamenlijk vermogen van partijen;
€ 7.300,- € 2.920,-, als gevolg van de niet doorgegane buikwandcorrectie;
€ 7.300,- € 122,29, te vermeerderen met alle bedragen die vanaf de indiening van het aanvullend verzoekschrift ten behoeve van de audible account zijn afgeschreven van de creditcard van de man;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. A.M. Lokhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 juli 2024.
Beoordeling
In dat licht bezien acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de storting van de vrouw van € 24.000,- op 12 juli 2018 zag op de aankoop van cryptovaluta die de man voor het huwelijk had gedaan, nu de investering lager is dan de storting, er bij de overboeking van de vrouw geen omschrijving stond en de man nadien geen aanvullende storting in de cryptovaluta portefeuille heeft gedaan. De rechtbank zal de vrouw daarom niet volgen in haar stelling. Nu het privévermogen van de man betreft voorafgaand aan het huwelijk, is het aan de vrouw om aan te tonen dat de storting van
€ 24.000,- een investering in de cryptovaluta betrof. Aan deze bewijsverplichting heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan.
Voor de stortingen verricht vanaf de huwelijksdatum geldt een ander regime. Dit betreft een bedrag van € 11.577,-Vanaf dat moment is het aan de man om aan te tonen dat deze stortingen zijn verricht met zijn privévermogen, waarbij de enkele stelling van de man dat de betalingen zijn verricht van zijn privérekening hiervoor onvoldoende is. De saldi die partijen gedurende het huwelijk opbouwen, vallen namelijk binnen de beperkte gemeenschap en vormen gezamenlijk vermogen. De man heeft in zijn processtukken (akte uitlaten van 26 april 2024) gesteld dat hij de investeringen in de cryptovaluta ten tijde van het huwelijk heeft verricht met privévermogen, namelijk met de verkoopopbrengst van een tweetal auto’s, die hem in privé toebehoorde.
Het valt de rechtbank op dat de man het ontvangen bedrag van één van de auto’s ter hoogte van € 7.250,- bij meerdere vergoedingsrechten aanvoert, zoals bij de afbetaling van de belastingschulden van de vrouw.
Daarnaast acht de rechtbank de nieuwe stelling in zijn akte uitlaten dat dit bedrag is geïnvesteerd in de cryptovaluta onaannemelijk, omdat uit productie 65 blijkt dat de man in 2019 dit bedrag van € 7.250,- contant heeft ontvangen. Uit productie 66 volgt enkel een storting, waaruit blijkt dat er op 10 januari 2021 € 7.200,- op de rekening van de man is gestort. Uit deze storting blijkt niet waar dit bedrag van afkomstig is en gezien het tijdsverloop tussen 2019 en 2021 acht de rechtbank het niet aannemelijk dat dit het contante geld van de auto is geweest. De man verwijst vervolgens naar een inruil van een nieuwe zakelijke auto, waarvoor de man in totaal € 6.716,- op zijn privérekening zou hebben ontvangen in 23 termijnen van 1 maart 2020 tot 1 februari 2022. De man verwijst hiervoor naar producties 22 tot en met 28. Uit deze producties blijkt echter geenszins dat de man deze bedragen rechtstreeks heeft besteed aan de cryptovaluta. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de beperkte gemeenschap een vergoedingsrecht toekomt op de man ter hoogte van het bedrag dat tijdens het huwelijk in de cryptovaluta is geïnvesteerd, zijnde € 11.577,-. Dit betekent dat de vrouw ten opzichte van de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van de helft van dit bedrag, zijnde € 5.788,50. Op dit bedrag is de beleggingsleer van toepassing op grond van artikel 1:87 BW. Hierover hebben partijen niets gesteld. Het is daarom aan partijen om de beleggingsleer aan de hand van het verloop van de cryptorekening toe te passen op voorgaand bedrag, waarbij de rechtbank partijen in overweging geeft om ten behoeve hiervan te kijken naar de huidige waarde van de cryptovaluta en alle investeringen die er zijn gedaan.
Ad. 4: de vergoedingsrechten
De man stelt dat hij een aantal vergoedingsrechten heeft ten aanzien van de vrouw.
De vrouw betwist de stelling van de man en geeft aan dat de vergoedingsrechten al zijn verrekend, doordat de man € 20.000,- extra heeft gekregen bij de verkoop van de aandelen in de onderneming. Dit standpunt is door de man betwist en door de vrouw niet met stukken onderbouwd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan haar stelling. Ook de stelling dat de vrouw door de jaren heen meer heeft bijgedragen aan de gemeenschap dan de man, doet aan de eventuele vergoedingsrechten van de man niets af. De vrouw heeft immers niet met stukken aangetoond dat zij meer heeft bijgedragen aan de gemeenschap dan de man. Ook heeft zij niet aangetoond dat haar bijdragen afkomstig waren uit privégelden. Dat het geld vanaf haar privérekening is gestort, maakt dit tijdens het bestaan van de beperkte gemeenschap niet automatisch privégelden.
Het eerste vergoedingsrecht dat de man stelt te hebben ziet op een aantal belastingschulden van de vrouw tot een bedrag van € 7.734,- die hij betaald zou hebben door in privé een lening overeenkomst aan te gaan met de voormalige onderneming van partijen, waarbij de man uit privémiddelen een lening aan de onderneming heeft verstrekt van € 13.245,- (productie 22). Dit bedrag had de man beschikbaar nadat hij zijn auto, zijnde een privégoed, had ingeruild. Deze schuld van de onderneming aan de man is op 14 februari 2022 deels, namelijk voor een bedrag van € 7.300,- aan de man terugbetaald, door een storting hiervan op de gezamenlijke rekening van partijen (productie 66). Met deze storting zijn vervolgens de door de man genoemde belastingschulden van de vrouw afbetaald (producties 28 t/m 30). De man vordert op grond van artikel 1:87 BW het afgeloste bedrag van € 7.734,-. Nu de man met stukken een bedrag heeft onderbouwd van € 7.300,-, zal de rechtbank het verzoek tot dit bedrag toewijzen, omdat de man genoegzaam heeft onderbouwd dat hij met zijn privévermogen een privéschuld van de vrouw heeft afgelost.
Daarnaast stelt de man dat partijen een belastingschuld van de vrouw uit hoofde van de kinderopvangtoeslag uit het jaar 2014 hebben verrekend met de belastingteruggave over het jaar 2017, die partijen gezamenlijk toekwam. De belastingteruggave over 2017 bedroeg € 1.366,- (productie 72). De man vordert de helft van de vrouw, zijnde € 683,-. Verder is volgens de man de belastingteruggave van het jaar 2019 van € 3.008,- ook verrekend met de belastingschuld in verband met de kinderopvangtoeslag in 2014 van de vrouw (productie 73). De man vordert daarom de helft van dit bedrag, zijnde € 1.504,-, van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de man met voorgenoemde producties voldoende heeft onderbouwd dat er met gezamenlijk vermogen een privéschuld van de vrouw is afgelost.
De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom toewijzen en bepalen dat de vrouw
€ 2.187,- aan de man dient te voldoen.
Verder stelt de man dat hij met geld van zijn rekening, en dus met zijn privévermogen, voorgenoemde belastingschuld deels heeft voldaan met een bedrag van € 1.609,- (productie 74). Hij vordert de helft van dit bedrag van de vrouw, zijnde € 804,50. Uit productie 74 volgt dat de storting op 14 november 2020 heeft plaatsgevonden. Partijen waren op dat moment gehuwd. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat het bedrag van € 1.609,- privévermogen betreft. Dat het geld afkomstig is van zijn privérekening is, zoals eerder overwogen, hiertoe onvoldoende. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
Tot slot stelt de man dat een schuld van de vrouw aan haar voormalige schoonouders is betaald door een storting van € 750,- vanaf de gezamenlijke rekening. De man stelt dat hij daarom een vergoedingsrecht heeft op grond van artikel 1:96 BW van € 375,- (producties 31 en 32). De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat deze betaling de aflossing van een privéschuld van de vrouw betreft met gezamenlijk vermogen en zal dit verzoek van de man daarom toewijzen.
Ad. 5: overige vorderingen
De vordering verbonden aan de [straatnaam]
De man stelt dat partijen zijn overeengekomen dat zij het appartement van de ouders van de vrouw aan de [straatnaam] zouden kopen voor € 145.000,-. Dit bedrag zou in termijnen worden betaald. Inmiddels hebben partijen via de onderneming € 31.500,- overgemaakt aan de ouders van de vrouw.
Beoordeling
De man vordert daarom € 15.750,- van de vrouw op grond van onverschuldigde betaling en de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is van oordeel dat, nu deze bedragen zijn betaald door de onderneming en niet door partijen in privé, er geen vergoedingsrecht van de man uit voortvloeit. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
De vordering verbonden aan de buikwandcorrectie van de vrouw
De man stelt dat de vrouw op 9 maart 2022 en op 19 april 2022 € 5.840,- van de gezamenlijke rekening heeft gebruikt voor een buikwandcorrectie (productie 42).
De correctie is niet doorgegaan en dit bedrag kan worden teruggestort. Hier is echter toestemming van de vrouw voor nodig, die zij volgens de man tot op heden nog niet heeft verleend. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag, zijnde € 2.920,-, aan de man dient te voldoen. De rechtbank overweegt als volgt. Het genoemde bedrag is voor de peildatum betaald en kan na de peildatum terug worden ontvangen. De man heeft daarom recht op teruggave van de helft. De rechtbank zal dit verzoek van de man dus toewijzen.
Door de vrouw gebruikte bedragen van de gezamenlijke rekening
De man stelt dat partijen hebben afgesproken dat zij vanaf 31 juli 2022 financieel gescheiden zouden gaan leven. In strijd met deze afspraak heeft de vrouw volgens de man
€ 1.382,76 van de gemeenschappelijke rekening gebruikt voor privédoeleinden. Hij verzoekt dat de vrouw de helft van dit bedrag, zijnde € 691,38, aan de man dient te voldoen.
De rechtbank gaat uit van het systeem van de wet. De door de man gestelde betalingen vonden plaats voorafgaand aan de peildatum van 7 april 2023. Partijen waren op dat moment nog gehuwd en saldi op de gezamenlijke rekening betrof toen gezamenlijk vermogen. Nu de saldi van de bankrekeningen per de peildatum verdeeld dienen te worden, zal de rechtbank dit verzoek van de man afwijzen.
Kosten verbonden aan de audible account van de vrouw
Het audible account van de vrouw wordt volgens de man betaald via zijn creditcard. Sinds 31 juli 2022 heeft hij € 122,29 hiervoor betaald. Hij verzoekt te bepalen dat de vrouw dit bedrag, te vermeerderen met alle bedragen die vanaf de indiening van het aanvullend verzoekschrift ten behoeve van de audible account zijn afgeschreven, aan de man dient te voldoen. De vrouw verzet zich niet tegen dit verzoek. De rechtbank zal dit verzoek daarom toewijzen.
Ad. 6: de schulden
De man stelt dat hij momenteel twee schulden heeft, één schuld ter hoogte van € 4.326,- (productie 33) en één schuld ter hoogte van € 15.450,- (productie 34), beide aangegaan op 25 november 2022. De man verzoekt de rechtbank om vast te stellen dat deze schulden bestaan en dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden.
De vrouw betwist deze schulden en geeft aan dat de man deze onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken blijkt dat de schuld ter hoogte van
€ 4.326,- bestaat uit de waarborgsom voor de [adres 2] te [plaats 2] (de huidige huurwoning van de man). De waarborgsom van de man, op dit moment onder beheer bij de verhuurder, en de man krijgt deze som na vertrek uit de woning, in beginsel weer terug. Nu er geen sprake is van een schuld, zal de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van dit bedrag afwijzen.
Op de lening overeenkomst van de schuld ter hoogte van € 15.450,- is aangegeven dat deze lening is aangegaan om de herinrichtingskosten van de man te voldoen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man van dit bedrag inboedelgoederen heeft gekocht die in zijn huidige woning staan. Tegenover deze schuld staan dus goederen. Aangezien de man de gekochte goederen niet met de vrouw wenst te delen, in ieder geval zijn deze goederen niet door hem in zijn inboedellijst opgenomen, zal de schuld waarmee deze goederen zijn voldaan ook niet tussen partijen worden verdeeld. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.