Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:23555
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,144 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16739
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Fattah),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres.
1.1.
Bij besluit van 18 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 19 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
3. Eiseres is geboren op [datum] 1954 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een visum voor kort verblijf voor een bezoek aan haar schoondochter [naam] (referente).
4. Verweerder heeft het visum geweigerd omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Ook is tijdige terugkeer van eiseres naar Syrië onvoldoende gewaarborgd, nu zij haar economische en sociale binding met Syrië niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij heeft wel degelijk een sociale en economische binding met Syrië. Er is dan ook geen aanleiding om vestigingsgevaar aan te nemen. Ook het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn duidelijk. Uit de visumaanvraag blijkt dat eiseres naar Nederland wil komen voor familiebezoek aan haar zoon, schoondochter en kleinkind. Verder voert eiseres aan dat het afwijzen van de aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot is de hoorplicht geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag, met betrekking tot de beoordeling van de relevante feiten, over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of een van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechter de beoordeling van verweerder slechts terughoudend kan toetsen.
7. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten, toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het vestigingsgevaar toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Syrië dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
Economische binding
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende economische binding heeft met Syrië. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het bezitten van een woning niet hoeft te worden aangemerkt als voldoende onderbouwing van de economische binding, omdat fysieke aanwezigheid daarvoor niet is vereist en het huis op elk moment ook verkocht kan worden. De stelling van eiseres dat het niet mogelijk is om haar woning op afstand te verhuren of te verkopen, omdat het extreem moeilijk zou zijn om het geld naar Nederland te krijgen gezien de situatie in Syrië, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres haar pensioen ook vanuit het buitenland kan opnemen en daarom op zichzelf onvoldoende economische binding oplevert.
Sociale binding
7.2.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende sociale binding heeft met Syrië. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres 65 jaar is, gescheiden is en alleen woont. Dat zij dagelijks contact heeft met haar zussen en haar broer is niet aangetoond. Dat uit de overgelegde foto van google maps zou blijken dat de zus van eiseres dichtbij woont, maakt het voorgaande niet anders. Uit de enkele stelling dat eiseres contact met hen heeft, kan immers niet de conclusie worden getrokken dat zij daardoor een (sterke) sociale binding heeft met Syrië. Daarbij komt dat verweerder heeft kunnen opmerken dat de zoon van eiseres tijdens een eerdere hoorzitting heeft verklaard dat eiseres broers en zussen heeft in Syrië, maar dat zij verspreid wonen en dat ze geen hulp aan haar bieden. Verder is ook niet gebleken of gesteld dat eiseres zorg heeft voor (andere) familieleden of in staat zou zijn hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig naar haar land van herkomst terug te keren.
7.3.
Gelet op het bovengenoemde heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale en economische binding heeft met Syrië dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.
7.4.
Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van het visum zelfstandig kan dragen, behoeft de andere weigeringsgrond geen bespreking.
Evenredigheid
8. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen zodanig onevenredig nadelige gevolgen heeft dat dit tot een ander besluit had moeten leiden en daarom in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank merkt op dat hoewel het momenteel onrustig is in die regio, dat niet betekent dat referent op een later moment niet met de kleinkinderen zijn moeder kan bezoeken. Bovendien is ook niet gebleken dat alle betrokkenen elkaar niet in een ander land kunnen zien waar het voor hen wel mogelijk is om vrij naartoe te reizen. Daarnaast is de aanvraag gelet op het voorgaande en anders dan eiseres stelt niet afgewezen op basis van de economische situatie in Syrië. Dat er een ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt tussen rijke en arme landen volgt de rechtbank dan ook niet.
Hoorplicht
9. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en heeft geen reden hoeven zien om eiseres dan wel referente te horen. Aan eiseres is in bezwaar de gelegenheid geboden om hun visumaanvraag nader te onderbouwen. Daarvoor heeft verweerder aan eiseres een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Deze vragenlijst bevat een toelichting over welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Op grond van wat namens eiseres in bezwaar is aangevoerd en overgelegd over haar sociale en economische binding met Syrië en de daaruit af te leiden twijfel over hun tijdige terugkeer, was het meteen duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 32, eerste lid, onder a) ii van de Visumcode.
Zie artikel 32, eerste lid, onder b van de Visumcode.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:862).