Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:23554
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,025 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4560
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , in zijn hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], uit Somalië, eiser
(gemachtigde: mr. S. Benali),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigden: L.H.T. Geuzendam en mr. I.S. IJserinkhuijsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van de paspoortaanvraag voor zijn minderjarige zoon.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 3 juli 2023 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 21 maart 2024 is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 30 januari 2023 hebben eiser en zijn echtgenote voor de minderjarige [minderjarige] (hierna: betrokkene) een Nederlandse paspoort aangevraagd. Betrokkene is de biologische zoon van de echtgenote van eiser, maar niet van eiser. Eiser en zijn echtgenote zijn beiden geboren in Somalië, evenals betrokkene. Uit de basisregistratie blijkt dat eiser op 18 juni 2015 de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie heeft verkregen. In 2007 zijn eiser en zijn echtgenote met elkaar in het huwelijk getreden.
2.1.
Bij de aanvraag is een Somalische geboorteakte en een identiteitsbevestiging, een Somalisch paspoort en een DNA-onderzoek overgelegd. Verweerder heeft de echtheid van de geboorteakte en de identiteitsbevestiging laten onderzoeken door Bureau Documenten (BD). Dit heeft geleid tot een verklaring van onderzoek van 8 mei 2023, waarin is geconcludeerd dat de geboorteakte en de identiteitsbevestiging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Daaruit volgt dat de identiteit en daarmee de Nederlandse nationaliteit van betrokkene niet kan worden vastgesteld, zodat de aanvraag door verweerder buiten behandeling is gesteld.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid, omdat verweerder uitgaat van onjuiste feiten. Volgens verweerder wijkt de geboorteakte af van het referentiemateriaal, maar verweerder heeft hierover ten onrechte geen navraag gedaan bij BD. Verder zijn de geboorteakte en identiteitsbevestiging van betrokkene gelijktijdig en bij dezelfde Somalische autoriteiten aangevraagd als die van de dochter van eiser en zijn echtgenote. Voor de dochter is wel een Nederlands paspoort afgegeven. De uiterlijke kenmerken van de documenten van de zoon verschillen niet van die van de dochter. Verweerder had ook op dit punt navraag moeten doen bij BD. De conclusie van BD dat de identiteitsbevestiging en de geboorteakte hetzelfde identiteitsnummer hebben, is onjuist. Er is namelijk een verschil tussen een identiteitsnummer en een ‘computer serial nummer’. Uit de documentnummers blijkt dat deze elkaar opvolgen. Dit is een aanwijzing dat de documenten door dezelfde autoriteiten zijn opgemaakt. Verweerder had ook het Somalische paspoort in zijn beoordeling moeten betrekken. Het is immers een origineel en geldig paspoort. Daarnaast onderstreept het overgelegde DNA-onderzoek de juistheid van het paspoort, omdat de naam van de moeder daarin vermeld staat. Verder komt betrokkene op grond artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in aanmerking voor het Nederlanderschap in de eerste plaats omdat hij binnen het huwelijk van eiser en zijn echtgenote is geboren en in de tweede plaats omdat eiser betrokkene heeft erkend. Eiser verkeert in bewijsnood. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Iedere Nederlander heeft recht op een nationaal paspoort. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is.
4.1.
Voor de vaststelling van de identiteit moet de aanvrager van een paspoort geldige identiteits- of reisdocumenten overleggen zoals een paspoort en een geboorteakte. Het is vaste rechtspraak dat de bewijslast om de nodige zekerheid te verschaffen over het gestelde Nederlanderschap bij de aanvrager berust. De wetgever hecht een groot belang aan het bevorderen van het behoud van vertrouwen in de Nederlandse reisdocumenten, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit. Dat betekent dat de identiteit en nationaliteit van de aanvrager buiten twijfel moeten staan.
Vaststellen van identiteit en nationaliteit
5. Documenten uit Somalië worden in Nederland niet erkend wegens het ontbreken van centraal gezag in dat land. Verweerder voert het beleid dat het niet-erkennen van dergelijke documenten onder bijzondere omstandigheden niet doorslaggevend is omdat dit anders zou betekenen dat een kind dat in Somalië is geboren nooit het Nederlanderschap zou kunnen ontlenen aan een van de Nederlandse ouders en dus nooit een Nederlands paspoort zou kunnen krijgen. Dat vindt verweerder niet wenselijk. Daarom laat verweerder Somalische geboorte- en huwelijksakten eerst op echtheid onderzoeken door BD.
5.1.
Ten aanzien van de Somalische geboorteakte en de identiteitsbevestiging heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat de inhoudelijke juistheid van deze documenten niet kan worden vastgesteld. BD heeft bij de identiteitsbevestiging geconstateerd dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare referentiemateriaal. Bij de geboorteakte is geconstateerd dat de geboorteakte en de identiteitsbevestiging zijn voorzien van dezelfde afgiftedatum en -plaats, dat ze gelijktijdig zijn opgemaakt en hetzelfde identiteitsnummer hebben. Het identiteitsnummer dat in de identiteitsbevestiging is vermeld, is hetzelfde nummer als het computer serial nummer dat zowel op de geboorteakte als op de identiteitsbevestiging staat. Volgens BD zijn zowel de geboorteakte als de identiteitsbevestiging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Verweerder heeft zich mogen baseren op de verklaring van onderzoek van het BD en mag in principe uitgaan van de juistheid van de adviezen die door deze deskundige dienst worden uitgebracht. Er bestaan geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid en de zorgvuldige totstandkoming van dat advies. De enkele niet-onderbouwde stelling van eiser dat hij geen verschil ziet in de opmaak en het uiterlijk van de documenten van betrokkene en de documenten van eisers dochter, is daarvoor onvoldoende aanknopingspunt. Bovendien heeft eiser geen contra-expertise overgelegd. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen volledig inzicht kan worden gegeven in de wijze waarop BD de Somalische akten toetst en beoordeelt. De omschrijving van deze bijzonderheden worden doorgaans bewust niet in detail weergegeven. De reden hiervoor is dat de informatie die hieraan ten grondslag ligt vaak van dien aard is dat het openbaar maken daarvan (toekomstige) onderzoeksprocessen schade kan toebrengen.
5.2.
Verweerder heeft in het bestreden besluit over de geboorteakte geconcludeerd dat het document op essentiële punten afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Eiser stelt terecht dat dit niet uit het documentenonderzoek van BD blijkt. De rechtbank is van oordeel dat dit een motiveringsgebrek is. De rechtbank zal dit gebrek echter passeren, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Eiser was immers bekend met de motivering wat betreft de geboorteakte, omdat in het bestreden besluit ook op dit punt steeds is verwezen naar de verklaring van BD van 8 mei 2023 waarin is vermeld dat de geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Bovendien heeft verweerder dit gebrek in het verweerschrift hersteld en heeft eiser de gelegenheid gehad hierop te reageren.
5.3.
Verder heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de nationaliteit en identiteit van betrokkene met het overgelegde paspoort niet vastgesteld kunnen worden. Dat betrokkene met het paspoort kan reizen en dat de naam van zijn moeder in het paspoort vermeld staat, werpt geen ander licht op de zaak omdat een Somalisch paspoort niet wordt erkend.
5.4.
Omdat verweerder de identiteit en nationaliteit van betrokkene niet kon vaststellen, komt de rechtbank niet toe aan het betoog van eiser dat hij betrokkene heeft erkend door het aanvragen van een Somalisch paspoort.
Bewijsnood
6.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag op goede gronden niet in behandeling heeft genomen.
8.1.
Omdat de rechtbank een motiveringsgebrek heeft geconstateerd, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.750,-. Ook moet verweerder het griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van €187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 9 van de Paspoortwet.
Artikel 3, eerste lid, van de RWN.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2483.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2116, rechtsoverweging 4.3.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2024, ECLI:RVS:2024:3670 met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1847, en van 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9435
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1.