Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23551
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,321 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.46618 en NL24.46619
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Sarmaszada).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Hij heeft op 1 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Ghanmi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1998. Aan de asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met criminelen van wie de broer van eiser geld heeft geleend. Eiser zou zijn aangevallen door deze criminelen en vreest bij terugkeer dat hij weer zal worden aangevallen.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met criminelen.
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig gevonden. De problemen met criminelen heeft verweerder niet geloofwaardig gevonden. Eiser heeft geen documenten overgelegd waarmee wordt onderbouwd dat hij een letsel heeft opgelopen als gevolg van de mishandelingen door criminelen. Ook heeft eiser geen goede verklaring waarom hij deze documenten niet heeft. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor geen goede verklaring gegeven. Tot slot kan eiser niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij enkel zijn vertrek probeert te frustreren.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat hij tijdens de asielprocedure recht heeft op rechtsbijstand maar hij deze niet heeft gekregen. Hierdoor heeft hij geen correcties en aanvullingen en een zienswijze kunnen indienen en is de procedure niet zorgvuldig verlopen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij gedurende de asielprocedure geen rechtsbijstand heeft gehad, terwijl dit van essentieel belang is. Zowel op het voornemen als op het bestreden besluit staat vermeld dat er geen gemachtigde bekend is en dat het is verzonden aan de Raad voor Rechtsbijstand. Ook staat op het uitreikingblad dat het bestreden besluit kenbaar is gemaakt bij de Raad voor Rechtsbijstand. Doordat eiser geen rechtsbijstand heeft gehad, heeft hij geen zienswijze en correcties en aanvullingen kunnen indienen. Eiser is hierdoor in zijn belangen geschaad. Daarnaast heeft gemachtigde van eiser ter zitting aangevoerd dat de Raad voor Rechtsbijstand op 19 november 2024 contact heeft gehad met verweerder en heeft aangegeven dat er binnenkort een advocaat voor eiser beschikbaar zou zijn. Ook heeft de Raad voor Rechtsbijstand gevraagd of verweerder kon wachten met het nemen het bestreden besluit. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd.
6. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het voornemen en het bestreden besluit op de gebruikelijke wijze zijn uitgebracht. Omdat er geen advocaat bekend was, heeft verweerder het voornemen en bestreden besluit naar de Raad voor Rechtsbijstand verzonden. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij enige bekendheid heeft met de asielprocedure nu hij voor de derde keer asiel heeft aangevraagd, zodat hij ervan op de hoogte was of kon zijn, dat hij een advocaat mocht inschakelen. Dat hij hier geen werk van heeft gemaakt dient dan ook voor risico van eiser te blijven. Verweerder heeft niet gewacht met het nemen van het bestreden besluit, omdat hij de gebruikelijke termijnen wilde handhaven.
7. De rechtbank is van oordeel dat de het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het is de vaste werkwijze van verweerder om – zoals ook in deze zaak is gebeurd – het voornemen en het bestreden besluit naar de Raad voor Rechtsbijstand te zenden als er nog geen advocaat of gemachtigde aan de zaak is gekoppeld. Dit om zo snel mogelijk alsnog een rechtsbijstandverlener toe te laten voegen om de betrokkene bij te staan. Verweerder was ermee bekend dat de Raad voor Rechtsbijstand binnen afzienbare tijd een advocaat zou kunnen toevoegen en had uit dien hoofde het verzoek gekregen om het nemen van het bestreden besluit enkele dagen uit te stellen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat daarvoor in dit geval geen uitstel van de termijn kon worden verleend. Het standpunt van verweerder dat eiser niet in zijn belangen is geschaad omdat hij tot op heden geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd en van eiser verwacht mag worden dat hij voldoende op de hoogte was of kon zijn van zijn rechten in de asielprocedure waaronder het recht op rechtsbijstand, volgt de rechtbank niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat het krijgen van rechtsbijstand een essentieel onderdeel is van de asielprocedure en dat niet in geschil is dat eiser door het niet verlenen van uitstel, geen zienswijze heeft kunnen indienen naar aanleiding van het voornemen. Dat het de derde asielaanvraag van eiser betreft, maakt dit oordeel niet anders, temeer niet nu de eerdere procedures niet op de gebruikelijke wijze zijn afgerond en tevens geldt dat eiser in bewaring zit waardoor hij beperkte mogelijkheden heeft om zelf op zoek naar rechtsbijstand te gaan. Daarnaast blijkt uit het gehoor dat dat eiser naar eigen zeggen niet van het gehele verloop van de eerdere procedure op de hoogte was nu hij heeft aangegeven dat er geen advocaat bij hem is langs geweest en dat hij het niet snapt. Onder deze omstandigheden geldt het niet verlenen van uitstel als een gebrek dat niet zonder meer kan worden hersteld in beroep, nu eiser daarmee in essentiële belangen is geschaad.
Conclusie
8. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond is omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.625,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.625,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, g en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 2.
Algemene wet bestuursrecht.