Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23550
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2081
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eiser en eiseres
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 18 oktober 2021 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 30 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Belanghebbende is geboren op [datum] 2009 in Turkije als kind van de heer [naam 1] (de vader) en mevrouw [naam 2] (de moeder). Belanghebbende verkreeg bij geboorte de Turkse nationaliteit. Eiser is op 22 september 1982 in het huwelijk getreden met een andere vrouw dan de moeder van belanghebbende en niet is gebleken dat dit huwelijk op enig moment is ontbonden.
3. Verweerder heeft de aanvraag voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen omdat sprake is van een nietige erkenning zodat belanghebbende daar het Nederlanderschap niet aan kan ontlenen. Belanghebbende is erkend door zijn Nederlandse vader die ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van belanghebbende.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren het volgende aan. Volgens eiser heeft de erkenning van zijn zoon automatisch en in ieder geval vanaf
1 april 2024 tot verkrijging van het Nederlanderschap geleid. Bovendien was de erkenning van belanghebbende op 7 december 2009 wel rechtsgeldig op grond van het Turkse recht, ook al was hij met een andere vrouw getrouwd. Subsidiair voert eiser aan dat zijn zoon het Nederlanderschap had moeten worden verleend op grond van artikel 6, eerste lid, onder c van de RWN. Eiser heeft namelijk de afgelopen jaren voldoende invulling gegeven aan de opvoeding en verzorging van zijn zoon. Dit blijkt ook uit de overgelegde stukken. Bovendien heeft de andere zoon van eiser ( [naam 3] ) via optie het Nederlanderschap verkregen en [naam 4] niet. Dit onderscheid mist een objectieve rechtvaardiging nu de broers samen zijn opgegroeid in Turkije en zij ook in Nederland samen willen zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Met ingang van 1 maart 2009 verkrijgen minderjarige kinderen die jonger zijn dan zeven jaar en worden erkend door een Nederlander, door deze erkenning vanaf de datum van erkenning het Nederlanderschap. Of de in Turkije ontstane familierechtelijke betrekking tussen eiser en belanghebbende in Nederland kan worden erkend, dient te worden bepaald aan de hand van de bepalingen van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens artikel 10:101, tweede lid en onder a, van het BW doet zich een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10:100, eerste lid en onder c, van het BW met betrekking tot erkenning in elk geval voor indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen. Ingevolge artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e, van het BW, zoals dat luidde tot 1 april 2014, was een erkenning gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man nietig, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijk betrekking bestond.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat het BW per 1 april 2014 is gewijzigd, waardoor erkenning door een gehuwde man wel is toegestaan, niet maakt dat eiser aan de erkenning het Nederlanderschap kan ontlenen. De wetswijziging voorziet niet in overgangsrecht en in het nationaliteitsrecht geldt dat wordt uitgegaan van het recht dat van toepassing is wanneer een rechtsfeit zich voordoet. Het moment van de erkenning bepaalt dus welk recht van toepassing is op de afstamming en de eventuele verkrijging van het Nederlanderschap. Het stelsel van de RWN staat in de weg aan het met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de erkenning verkrijgen van het Nederlanderschap door eiser. Artikel 2, eerste lid, van de RWN bevat het uitgangspunt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. In het licht van de zekerheid die dient te bestaan omtrent het mogelijke Nederlanderschap van een kind op grond van zijn afstamming kan niet worden aanvaard dat een familierechtelijke betrekking die op het moment dat deze ontstond niet kon worden erkend wegens onverenigbaarheid met de (Nederlandse) openbare orde op een later moment alsnog wordt erkend en leidt tot het verkrijgen van het Nederlanderschap met terugwerkende kracht. De rechtbank verwijst in dit verband naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. De stelling van eisers dat de erkenning op grond van het Turkse recht wel rechtsgeldig was, maakt het voorgaande niet anders.
5.2.
Verder was ten tijde van het bestreden besluit niet door een civiele rechter vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de vader en moeder van belanghebbende een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn valt te stellen of dat tussen eiser en het kind een nauwe persoonlijk betrekking bestond, zodat belanghebbende op deze grond alsnog het Nederlanderschap had verkregen.
6. De rechtbank merkt op dat de afgelegde optieverklaring op 8 augustus 2023 niet is bevestigd. De beroepsgronden die hiertegen zijn gericht zullen niet in deze procedure worden besproken nu het om een ander besluit gaat. Het staat eiser vrij om de bezwaar- en beroepsprocedure te doorlopen tegen het besluit waarin de optieverklaring niet is bevestigd.
De stukken die door eisers zijn overgelegd met betrekking tot zijn persoonlijke nauwe betrekkingen, kunnen in beroep worden ingebracht in de civiele procedure en/of de bezwaarprocedure omtrent de optieverklaring.
7. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag om afgifte van een Nederlands paspoort aan eiser niet in behandeling heeft genomen, omdat niet is komen vast te staan of eiser in het bezit is van het Nederlanderschap.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
artikel 4, tweede lid RWN.
Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942.