Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:23542
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,341 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.11700 en NL24.11701
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Beket).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Met het bestreden besluit van 28 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser om tijdelijke opheffing van het inreisverbod afgewezen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1986. Aan eiser is op 3 januari 2024 een licht inreisverbod opgelegd. Op 2 februari 2024 heeft eiser gevraagd om een tijdelijke opheffing van dit inreisverbod zodat hij aanwezig kan zijn tegen een hem aanhangig gemaakte strafzaak. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van een zeer uitzonderlijk en indringend geval..
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser had op 26 februari 2024 een zitting bij de Politierechter. Door het inreisverbod was het voor eiser niet mogelijk om die politierechterzitting bij te wonen. Inmiddels is deze zitting aangehouden waarbij het Openbaar Ministerie de opdracht heeft gekregen om eiser op te roepen tegen een nader te bepalen zitting. Eiser wil daarbij aanwezig zijn. Als het inreisverbod niet tijdelijk wordt opgeheven, wordt hem dit onmogelijk gemaakt en is dat in strijd met artikel 6 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit A4/3.8.3 onder c van de Vreemdelingencirculaire volgt dat verweerder de aanvraag om tijdelijke opheffing van het inreisverbod kan inwilligen als de komst van de vreemdeling noodzakelijk is in verband met een eigen strafzaak. Verweerder neemt uitsluitend aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat als de rechtbank kenbaar maakt dat de vreemdeling aanwezig moet zijn of als een gemachtigde niet kan volstaan. Eiser dient dit met bewijsstukken te onderbouwen..
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat de strafrechter kenbaar heeft gemaakt dat eiser op de strafzitting aanwezig moet zijn of dat een gemachtigde niet kan volstaan. Een dagvaarding verplicht eiser immers niet om bij de zitting aanwezig te zijn. Ook is uit de overgelegde informatie niet gebleken dat de strafrechter eisers medebrenging heeft gelast. Daarom kon verweerder er van uitgaan dat de aanwezigheid van eiser niet noodzakelijk is en zijn gemachtigde zijn belangen kan behartigen. Van schending van artikel 6 van het EVRM is dan ook geen sprake. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder de aanvraag van eiser om tijdelijke opheffing van het inreisverbod terecht afgewezen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 6.5c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.