Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:23536
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,422 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6063
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Kremers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het verkeersbesluit betreffende het aanwijzen van verschillende parkeerplaatsen in Den Haag als oplaadpunt voor elektrische voertuigen (hierna: het verkeersbesluit).
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 12 december 2019 bekendgemaakt. Met het bestreden besluit van 7 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om het bezwaar van eiser niet inhoudelijk te behandelen, omdat het te laat is ingediend. Eiser heeft op 2 april 2024 zijn bezwaarschrift ingediend tegen het verkeersbesluit dat verweerder op 12 december 2019 heeft gepubliceerd in het digitale Gemeenteblad en de digitale Staatscourant. In dit verkeersbesluit zijn verschillende parkeerplaatsen aangewezen als oplaadpunt voor elektrische voertuigen, waaronder twee parkeerplekken nabij de [adres] in [plaats] waar eiser woont. Volgens verweerder is er geen goede reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift.
Wat vindt eiser in beroep?
3. De termijnoverschrijding is verschoonbaar. Eiser voert daartoe in de eerste plaats aan dat hij niet op de juiste wijze is ingelicht over het verkeersbesluit. Sinds 2014 ontvangt hij al push-meldingen via de mail van vergunningaanvragen die betrekking hebben op de openbare ruimte binnen een straal van een kilometer van zijn woning. Een push-melding over het verkeersbesluit heeft hij echter niet ontvangen. Bovendien kon uit de titel van de publicatie van het verkeersbesluit niet worden opgemaakt dat deze ook mede betrekking had op het woonadres van eiser. Dit is pas zichtbaar in de daarbij behorende bijlage. De onderzoeksplicht van eiser strekt echter niet zover dat hij zich daarvan op de hoogte moest stellen. Bovendien staat in de bijlage slechts aangegeven dat de betreffende oplaadpunten worden aangewezen ‘nabij’ de [adres] . Dit is te ruim geformuleerd. Het adres van eiser betreft namelijk een hoekwoning en het is daarom goed mogelijk dat met die passage ook weggedeelten aan de overkant van de straat kunnen worden bedoeld.
Daarbij betoogt eiser dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen de daadwerkelijke feitelijke plaatsing van een tweede laadplek voor zijn woning. Bovendien heeft verweerder nagelaten om een op 27 augustus 2020 via de mail gestelde vraag van eiser hierover te beantwoorden. Inhoudelijk voert eiser aan dat de locatie van de laadplekken ongunstig gelegen is. De straat is op dat specifieke onderdeel erg smal, waardoor hulpdiensten hier nauwelijks langs kunnen rijden als aan beide zijdes van de straat auto’s geparkeerd staan. Ook is het voor eiser nu niet meer mogelijk om zijn eigen (niet-elektrische) auto voor zijn woning te parkeren. Het had daarom beter geweest om een andere locatie voor de laadplekken aan te wijzen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit is zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan moet verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Als er een goede reden is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, dan verklaart verweerder het bezwaar toch ontvankelijk. Het kan dan gaan om te late indiening die is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook om andere redenen.
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat eiser zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend. De vraag die in deze procedure centraal staat, is of verweerder mocht besluiten om het bezwaarschrift van eiser niet inhoudelijk te beoordelen, omdat er geen goede reden is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.3.
Verweerder heeft het primaire besluit op 12 december 2019 gepubliceerd in het digitale Gemeenteblad en de digitale Staatscourant. In de bijlage van het verkeersbesluit staat duidelijk aangegeven dat er twee parkeervakken als oplaadlocatie aangewezen worden nabij de [adres] . Daarmee had voor eiser voldoende kenbaar moeten zijn dat de parkeerplekken in de buurt van zijn woning aangewezen zouden worden als parkeerplek voor het opladen van elektrische voertuigen. Het betoog van eiser dat hij hierover geen push-melding kreeg en uit de titel van de publicatie niet kon worden opgemaakt dat deze mede op zijn woonadres ziet waardoor hij niet op de juiste wijze is ingelicht over het verkeersbesluit, slaagt niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht gesteld dat eiser een eigen verantwoordelijk heeft om zich op de hoogte te stellen van de informatie over de openbare ruimte die voor hem relevant kan zijn. Voor verweerder bestaat daartoe geen verplichting. Het lag dan ook op de weg van eiser om actief kennis te nemen van de bijlage van het verkeersbesluit. In tegenstelling tot eiser vindt de rechtbank de passage in de bijlage dat de betreffende oplaadpunten worden aangewezen ‘nabij’ de [adres] niet te vaag geformuleerd. Het had hiermee voor eiser duidelijk moeten zijn dat een reële mogelijkheid bestond dat hij door het verkeersbesluit zou worden geraakt.
4.3.
Het betoog van eiser dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen de daadwerkelijke plaatsing van een tweede laadplek voor zijn woning, volgt de rechtbank evenmin. Met het primaire besluit heeft verweerder de twee parkeerplekken namelijk al aangewezen. Ook voor wat betreft de uiteindelijke plaatsing van de tweede parkeerplek had eiser dus (tijdig) moeten opkomen tegen het primaire besluit. Dat hierover in een latere vergunningaanvraag geen informatie werd gegeven en verweerder heeft nagelaten een mail van eiser van 27 augustus 2020 over dit onderwerp te beantwoorden, doet aan het voorgaande niet af. Ook als verweerder wel had geantwoord op de mail, dan had er niet tijdig bezwaar kunnen worden gemaakt.
4.5.
Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat de te late indiening niet verschoonbaar is, dan moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat eiser vindt dat de locatie van de betreffende laadplekken ongunstig is, is bij de beoordeling dan ook niet relevant. Verweerder mocht dit betoog dus buiten beschouwing laten. Overigens heeft verweerder op de zitting aangegeven dat voor eiser de mogelijkheid bestaat om per mail alsnog te verzoeken om verplaatsing van de betreffende laadpaal. De rechtbank sluit zich hierbij aan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb.
Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3419