Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:23530
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,688 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5605
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Ju).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een terugbetalingsverplichting ter hoogte van € 4.666,68.
1.1.
Verweerder dit besluit (het primaire besluit) op 25 november 2022 genomen. Met het bestreden besluit van 20 juni 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2024 met behulp van een videoverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser was met ingang van 29 oktober 2018 aangesteld als militair ambtenaar bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht. Hij was ingedeeld bij de Koninklijke Marine met de bestemming Asp Ooff TD. Voorafgaand aan zijn aanstelling heeft eiser een verklaring getekend dat hij wist dat aan het volgen een opleiding een terugbetalingsverplichting is opgenomen. Verweerder heeft eiser met het besluit van 16 november 2022 met ingang van 1 december 2022 ontslag wegens wangedrag verleend. Met het besluit van 25 november 2022 heeft verweerder eiser vervolgens een terugbetalingsverplichting ter hoogte van € 4.666,68 opgelegd.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder de terugbetalingsverplichting niet mocht opleggen omdat deze is strijd is met artikel 13 van de Europese Richtlijn 2019/1152 (hierna: de richtlijn).
Eiser voert in de tweede plaats aan dat hij het niet eens is met de vaststelling van de hoogte van de terugbetalingsverplichting. Eiser betoogt in de kern dat verweerder het bedrag van de terugbetalingsverplichting te hoog heeft vastgesteld omdat bij de berekening hiervan ook dagen zijn meegenomen waarop hij geen les heeft gehad. Dit betreffen de dagen waarop hij tewerk is gesteld, de dagen waarop leraren door ziekte afwezig waren, de ceremoniële dagen en de vrijdagen dat hij vanuit huis moest werken zonder begeleiding. Bovendien had bij de berekening moeten worden uitgegaan van een eerdere startdatum aangezien hij voor 29 oktober 2018 al geruime tijd werkzaam was bij de onderzeedienst.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bevoegdheid opleggen terugbetalingsverplichting
5. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 28 mei 2024 al geoordeeld dat in het geval van defensieambtenaren objectieve redenen bestaan om gebruik te maken van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden in artikel 1, zesde lid, van de richtlijn. De terugbetalingsverplichting voor opleidingskosten is dan ook niet in strijd met artikel 13 van de richtlijn. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om van dit eerdere oordeel af te wijken. Dat betekent dat verweerder de terugbetalingsverplichting aan eiser mocht opleggen.
Hoogte terugbetalingsverplichting
6. De rechtbank overweegt dat verweerder bij het vaststellen van het bedrag dat terugbetaald moet worden een discretionaire bevoegdheid heeft. Dat maakt dat de rechtbank terughoudend toetst of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. Verweerder heeft bij zijn afweging voorop gesteld dat hij tot een evenwichtige verdeling van de risico’s tussen werknemer en werkgever dient te komen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de terugbetalingsverplichting ter hoogte van € 4.666,68 in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Verweerder heeft toegelicht dat uit navraag is gebleken dat eiser alle in het primaire besluit genoemde opleidingen heeft gevolgd. Door eiser wordt ook niet betwist dat hij dit in de genoemde periode van 177 dagen heeft gedaan. Verder zijn de ceremoniële dagen en de periode van februari 2020 tot november 2020 niet meegenomen in het aantal opleidingsdagen. Dit geldt ook voor de dagen waarop eiser tewerk is gesteld, terwijl dit volgens verweerder wel gebruikelijk is. Hierdoor valt de uiteindelijke hoogte van de terugbetalingsverplichting voor eiser juist gunstiger uit. Verweerder heeft de vrijdagen wel meegeteld in de berekening omdat op die dag wel degelijk sprake was van begeleiding.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om aan de juistheid van de toelichting van verweerder te twijfelen. Dat verweerder ten onrechte dagen zou hebben meegeteld waarop hij door verschillende omstandigheden geen begeleiding heeft gehad, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Het betoog van eiser dat verweerder bij de berekening van de terugbetalingsverplichting had moeten uitgaan van een eerdere startdatum aangezien hij voor 29 oktober 2018 al geruime tijd werkzaam was bij de onderzeedienst, slaagt ook niet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, begon de initiële opleiding van eiser pas op 29 oktober 2018 en ving daarmee ook de dienverplichting aan. De terugbetalingsverplichting heeft dus geen betrekking op de periode daarvoor toen hij in een andere rechtspositie voor Defensie werkzaam was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de terugbetalingsverplichting ter hoogte van € 4.666,68 in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten..
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Militaire ambtenarenwet 1931
Artikel 12k
1. Aan een aanstelling als militair ambtenaar bij het beroepspersoneel is de verplichting verbonden om een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn, doch ten hoogste gedurende de initiële opleiding en aansluitend een periode van vier jaar, deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel.
(…)
Algemeen militair ambtenarenreglement
Artikel 13. Initiële opleidingen
De militair wordt door Onze Minister bij aanstelling in beginsel aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding. Deze opleiding is ten minste gericht op het verkrijgen van de benodigde kennis en vaardigheid voor de eerste functie(s) waarvoor hij is bestemd.
Artikel 16e. Terugbetalingsverplichting opleidingskosten
1. Aan de aanwijzing voor een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16a, kan door Onze Minister de verplichting worden verbonden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding, indien de militair na het verstrijken van de voor hem geldende proeftijd:
(…)
c. uit de dienst wordt ontslagen, op grond van artikel 39, eerste lid of tweede lid, onder e, ten 1e, h, j, k, m of n, of artikel 45.
2. Bij de berekening van het terug te betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van risico’s tussen werkgever en werknemer.
3. Het bedrag van de terugbetalingsverplichting in geval van een initiële opleiding, als bedoeld in artikel 13, wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn van de hem op basis van artikel 12k van de Militaire Ambtenarenwet 1931 opgelegde verplichting is verstreken met dien verstande dat de periode van de proeftijd hierbij meetelt.
4. Het door de militair terug te betalen bedrag wordt als volgt vastgesteld:
a. voor het deel van de opleiding dat is gevolgd binnen het Ministerie van Defensie: overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde kosten van die opleiding per cursist;
(…)
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van artikel.
Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR
Artikel 3:7 Bepaling kosten per cursist, als bedoeld in artikel 16e, vierde lid, onder a, AMAR
Voor opleidingen die zijn gevolgd binnen het Ministerie van Defensie, worden de kosten van die opleiding per dag per cursist als volgt vastgesteld:
(…)
b. Voor opleidingen gerelateerd aan of gericht op het vervullen van functies waar een onderofficiersrang aan is verbonden, € 75,- per dag vermeerderd met de militaire inkomsten per dag, behorend bij de feitelijk bekleedde stand of rang van de cursist;
(…)
Verminderd met het minimumloon per dag tijdens de opleiding, vastgesteld conform hetgeen is bepaald bij en krachtens de Wet minimumloon en minimum vakantie-uitkering.
ECLI:NL:RBDHA:2024:8090.