Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:23521
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,486 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7193
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.S. Winter),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Maachi).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een private schuld van eiseres bij [naam] over te nemen.
1.1.
Met het primaire besluit van 7 februari 2023 heeft verweerder geweigerd deze schuld van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 18 september 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder hierbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het betalen van de private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiseres heeft verzocht om betaling van een private schuld van € 11.637,87 bij [naam] . De SBN heeft bepaald dat deze schuld niet kan worden betaald en hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is geweest van opeisbare betalingsachterstanden of een opeising van de volledige vordering zodat niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, onder b, onderscheidenlijk het vierde lid, onder b, van de Wht.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres verzoekt allereerst om alles wat in de voorprocedure is ingebracht in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder stelt zij dat haar schuld bij [naam] ten onrechte niet door verweerder is betaald. Door de problemen met de kinderopvangtoeslag zijn in de periode tussen 2015 en 2019 namelijk meerdere opeisbare schulden ontstaan, waardoor eiseres zich gedwongen voelde om de lening bij [naam] af te sluiten om zo alle opeisbare schulden af te betalen. Eiseres betoogt dat de strikte toepassing van de eis van opeisbaarheid in haar geval onredelijk uitpakt, omdat haar eerdere schulden door SBN zouden zijn overgenomen als zij ervoor had gekozen om deze niet af te betalen met de lening bij [naam] .
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (onderdeel a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (onderdeel b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (onderdeel c).
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Ambtshalve overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank Rotterdam bevoegd op het onderhavige beroep te beslissen. Gelet op de mogelijkheid dat aan de onbevoegdheid van de rechtbank in hoger beroep wordt voorbijgegaan, laat de rechtbank een onbevoegdverklaring achterwege.
6. Verder is verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiseres in bezwaar en tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht. De enkele verwijzing van eiseres naar wat zij in de voorprocedure naar voren heeft gebracht, zonder te concretiseren op welke punten de motivering van het bestreden besluit volgens eiseres ontoereikend is, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten aanzien van de schuld bij [naam] in de periode voor 1 juni 2021 geen opeisbare betalingsachterstanden heeft doen ontstaan dan wel dat de hoofdsom van de schuld op enig moment in de periode voor 1 juni 2021 geheel opeisbaar is geworden. Dit betekent dat de schuld van eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, onderscheidenlijk het vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Gelet daarop mocht verweerder besluiten om de schuld van eiseres bij [naam] niet te betalen.
8. Eiseres heeft op de zitting naar voren gebracht dat haar betoog dat in haar geval sprake is van een te strikte toepassing van de eis van opeisbaarheid moet worden begrepen als een beroep op de hardheidsclausule.
8.1.
Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.
8.2.
De rechtbank overweegt dat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt dat het doel van de regeling is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Hoewel gekozen is voor het bieden van een nieuwe start, zijn er dus schulden die zijn uitgesloten van herstel. De regeling voor het betalen van private schulden heeft dus niet tot doel gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Alleen opeisbare schulden of achterstanden zijn onder de regeling gebracht. De uiterlijke datum van de opeisbaarheid is op 1 juni 2021 bepaald. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort daarmee tot de kern van de regeling en is een in de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling steeds terugkerend uitgangspunt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 15 mei 2024 heeft overwogen, heeft de wetgever met deze bewuste keuze voor overname van alleen die schulden die voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, voorzien dat niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren door de gevolgen van de kinderopvangtoeslagproblematiek met deze schuldenregeling van hun schulden afkomen. Daaronder kunnen ouders vallen die onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van achterstanden en schulden te voorkomen en als gevolg van de toeslagenproblematiek in een moeilijke financiële situatie verkeren. Dat eiseres bij [naam] een lening heeft afgesloten om andere (opeisbare) schulden af te lossen en daardoor niet voldoet aan de eis van opeisbaarheid met betrekking tot deze schuld, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een omstandigheid die de wetgever bij de totstandkoming van deze regeling onder ogen heeft gezien. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres onrechtvaardig voelt, had verweerder hierin dus geen aanleiding hoeven zien om te bepalen dat de schuld van eiseres bij [naam] in afwijking van de in artikel 4.1 van de Wht neergelegde vereisten voor overname in aanmerking komt. Daarbij is niet gebleken dat de financiële problemen van eiseres zodanig zijn dat toepassing van voornoemd artikel leidt tot een zeer onbillijke uitkomst of schrijnende situatie.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder mocht besluiten dat de door eiseres opgegeven schuld in zijn geheel niet voor overname door SBN in aanmerking komt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiseres wijst in dit verband op een creditcardschuld bij de ANWB en meerdere schulden bij haar familie. Ter onderbouwing van dit laatste heeft eiseres op 9 september 2024 een verklaring van haar broer ingebracht.
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.
Op grond van artikel 8:117 van de Awb.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 38.
ECLI:NL:RVS:20242045.