Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:23518
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,870 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7904
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten),
en
de minister van Financiën verweerder
(gemachtigde: mr. S. Akkas).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een private schuld bij ABN AMRO over te nemen.
1.1.
Met het primaire besluit van 1 maart 2023 heeft verweerder geweigerd deze schuld van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder hierbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie van afgeloste private schulden en betaling van hun private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het compenseren dan wel betalen van de (afgeloste) private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiseres heeft verzocht om betaling van een private schuld van € 4.906,59 bij ABN AMRO, die zij heeft afbetaald met het ontvangen bedrag van € 30.000,- in verband met de Catshuisregeling (hierna: het compensatiebedrag). De SBN heeft bepaald dat deze schuld niet kan worden betaald en hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is geweest van opeisbare betalingsachterstanden of een opeising van de volledige vordering zodat niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b jo. artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt dat haar schuld bij ABN AMRO ten onrechte niet door verweerder is betaald. Volgens eiseres is deze schuld namelijk wel degelijk voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden. Zij stelt daartoe in de eerste plaats dat ABN AMRO haar bij brief van 8 april 2021 heeft medegedeeld dat haar krediet zou worden afgebouwd. Eiseres kon op dat moment dus geen krediet meer opnemen. Vervolgens heeft ABN AMRO de schuld ambtshalve verrekend met het door haar ontvangen compensatiebedrag. Ook dit betreft een opeisingshandeling, omdat het voor eiseres toen niet meer mogelijk was om deze schuld in maandelijkse termijnen af te betalen. Verder wijst eiseres erop dat met de regeling wordt beoogt om gedupeerden van de toeslagenaffaire een nieuwe start te laten maken. Het ambtshalve laten verrekenen van de schuld bij ABN AMRO met het compensatiebedrag is niet in lijn met deze doelstelling, omdat zij hierdoor niet meer ten volle over dat geld kon beschikken. Dit betreft ook geen situatie die door de wetgever is voorzien. Verder geeft eiseres aan dat de toeslagenaffaire een blijvende impact heeft gehad op haar leven. Ze heeft hierdoor moeten stoppen met haar opleiding en leeft momenteel van een WIA-uitkering. In deze procedure speelt voor haar naast het financiële belang dus ook het principiële belang van herstel. Het voorgaande maakt dat de toepassing van de wet in haar geval tot een onredelijke uitkomst leidt. Zij doet dan ook een beroep op de hardheidsclausule. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres nog een drietal rechtbankuitspraken aangehaald.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (onderdeel a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (onderdeel b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (onderdeel c).
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
5. Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht verleent verweerder aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de schuld van eiseres bij ABN AMRO vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
6.1.
Anders dan eiseres heeft betoogd, kan uit de brief van ABN AMRO van 8 april 2021 met daarin de mededeling dat het krediet van eiseres stapsgewijs wordt afgebouwd niet worden afgeleid dat in de periode voor 1 juni 2021 opeisbare betalingsachterstanden zijn ontstaan of dat de hoofdsom van de schuld op enig moment in de periode voor 1 juni 2021 geheel opeisbaar is geworden. Uit de voorwaarden van de kredietovereenkomst tussen eiseres en ABN AMRO blijkt namelijk dat de vordering alleen opeisbaar wordt in het geval er twee termijnbedragen niet door eiseres zijn betaald en een betaling ook na het versturen van een schriftelijke ingebrekestelling uitblijft. Daarvan is de rechtbank in dit geval echter niet gebleken.
6.2.
Eiseres wordt evenmin gevolgd in haar betoog dat de schuld opeisbaar is geworden op het moment dat ABN AMRO deze ambtshalve heeft verrekend met het door eiseres ontvangen compensatiebedrag. Uit artikel 4.3, vijfde lid, van de Wht volgt immers dat de hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld gelijk is aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie heeft afgelost aan opeisbare schulden. Daaruit kan worden afgeleid dat alleen die schulden worden gecompenseerd die op het moment van betalen al opeisbaar waren. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat aan dit vereiste in dit geval niet wordt voldaan.
6.3.
Het voorgaande betekent dat de schuld van eiseres aan de ABN AMRO niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b jo. artikel 4.3, eerste lid, van de Wht. Gelet daarop mocht verweerder besluiten om de schuld van eiseres bij ABN AMRO in zijn geheel niet over te nemen.
7. Eiseres heeft verder betoogd dat de toepassing van de wet in haar geval leidt tot een onredelijke uitkomst en daarmee een beroep gedaan op de hardheidsclausule.
7.1.
Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 en 4.3 kan worden afgeweken voor zover toepassing ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.
7.2.
De rechtbank overweegt dat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt dat het doel van de regeling is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Hoewel gekozen is voor het bieden van een nieuwe start, zijn er dus schulden die zijn uitgesloten van herstel. De regeling voor het betalen van private schulden heeft niet tot doel gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Alleen opeisbare schulden of achterstanden zijn onder de regeling gebracht. De uiterlijke datum van de opeisbaarheid is op 1 juni 2021 bepaald. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort daarmee tot de kern van de regeling en is een in de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling steeds terugkerend uitgangspunt. Onder rechtsoverweging 6.2 is al vastgesteld dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO door het ambtshalve verrekenen hiervan met het compensatiebedrag niet opeisbaar is geworden. Dat eiseres niet ten volle over het compensatiebedrag heeft kunnen beschikken is daarom niet zonder meer in strijd met de bedoeling van de wetgever. Verder is door de wetgever expliciet gesteld dat bij de schuldenaanpak niet wordt gekeken naar causaliteit en het dus niet uitmaakt of het ontstaan of verergeren van schulden te herleiden is tot de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Hoewel de rechtbank erkent dat eiseres nog steeds negatieve gevolgen van de toeslagenaffaire ondervindt en het spijtig vindt dat zij hierdoor haar opleiding heeft moeten staken, had verweerder hierin om die reden geen aanleiding hoeven zien om te bepalen dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO in afwijking van de in artikel 4.1 en 4.3 van de Wht neergelegde vereisten voor overname in aanmerking komt. Eiseres heeft verder aangegeven momenteel te leven van een WIA-uitkering.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder mocht besluiten dat de door eiseres opgegeven schuld in zijn geheel niet voor overname door SBN in aanmerking komt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.
Zie in dit verband de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5311, de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 augustus 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3247 en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6825.
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 38.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 41.
ECLI:NL:RVS:2024:2045.