Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:23511
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,120 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7555
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Pakistan , eiser
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.D. Barendrecht).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag om een Nederlands paspoort.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit genomen op 30 maart 2022. Met het bestreden besluit van 26 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dit besluit gebleven.
1.2.
Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser is zonder bericht niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat eiser het Nederlanderschap op 4 augustus 2019 zou hebben verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn paspoortaanvraag en stelt dat dit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor hem heeft. Hij stelt dat zijn echtgenote en kinderen wel de Nederlandse nationaliteit hebben en dat de uitoefening van zijn gezinsleven in Nederland daarom onmogelijk wordt gemaakt. Bovendien zijn de Pakistaanse autoriteiten niet bereid eiser een Pakistaans reisdocument te verstrekken. Het voorgaande levert ook strijd op met artikel 8 van het EVRM. Verder heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat hij voor het verstrijken van de tienjaarstermijn bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Pakistan heeft verzocht om de afgifte van een Nederlands paspoort, maar dat dit door COVID-gerelateerde omstandigheden steeds vertraging heeft opgelopen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op [geboortedatum] 1962 is geboren in [geboorteplaats] (Pakistan) en dat hij op 9 september 1992 bij Koninklijk Besluit het Nederlanderschap heeft verkregen. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat eiser door de verkrijging van het Nederlanderschap niet zijn Pakistaanse nationaliteit heeft verloren. Eiser heeft dit standpunt in beroep niet betwist. De rechtbank gaat in deze procedure dan ook uit van het gegeven dat eiser zijn Pakistaanse nationaliteit heeft behouden. Verder staat vast dat aan eiser voor het laatst op 19 mei 2008 een Nederlands paspoort is afgegeven en hij op 4 augustus 2009 is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen wegens emigratie naar Pakistan. Het voorgaande betekent dat de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, neergelegde voorwaarden voor het automatisch verliezen van het Nederlanderschap van toepassing zijn.
6. Ten aanzien van het betoog van eiser dat het door COVID-gerelateerde omstandigheden niet mogelijk was om de tienjaarstermijn te stuiten, overweegt de rechtbank dat verweerder hierover terecht heeft opgemerkt dat op het moment van het verstrijken van de tienjaarstermijn nog geen COVID-pandemie was uitgebroken. Dit betoog van eiser kan daarom niet slagen.
7. In geschil is verder of het verlies van de Nederlandse nationaliteit in het geval van eiser de evenredigheidstoets doorstaat zoals die voortvloeit uit de uitspraak van het Europese Hof van Justitie (Hof) in de zaak Tjebbes e.a.
7.1.
Het Hof oordeelde dat de verliesgrond zoals vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN niet principieel in strijd is met het Unierecht, maar dat het wel mogelijk moet zijn om achteraf de proportionaliteit van het mogelijke verlies te toetsen in het licht van het Europese recht. Het Hof overwoog onder meer dat met name relevant kan zijn het feit dat de betrokkene door het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het Unieburgerschap zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven om daar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten.
7.2.
De hoogste bestuursrechter heeft beslist dat het peilmoment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel het moment van het verlies van het Nederlanderschap is. Ook besliste de hoogste bestuursrechter dat slechts feiten en omstandigheden die verband houden met rechten voortvloeiend uit het Europees burgerschap relevant zijn voor de evenredigheidstoets. Bij de beoordeling moeten niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op het peilmoment reeds hebben gemanifesteerd worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren. Gevolgen die op het peilmoment hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat die zich voor zullen doen, hoeven niet in de beoordeling te worden betrokken.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de evenredigheidstoets juist heeft verricht. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft in dit kader op basis van door eiser overlegde betalingsbewijzen advies uitgebracht aan verweerder en geconcludeerd dat hieruit niet is gebleken dat eiser ten tijde van het verlies van het Unieburgerschap, op 4 augustus 2019, gebruik maakte van zijn Unierechten of dat het ten tijde van het verlies van het Unieburgerschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij gebruik zou gaan maken van de uit het Unieburgerschap voortvloeiende rechten. Verder heeft de IND uit de betalingsbewijzen afgeleid dat eiser door het verlies van zijn Unieburgerschap kennelijk geen bijzondere moeilijkheden heeft ervaren met betrekking tot het ontvangen van betalingen. De IND heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat geen sprake is van onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor eiser.
7.4.
De rechtbank stelt evenwel vast dat eiser pas in bezwaar heeft aangevoerd dat zijn echtgenote en kinderen wel de beschikking hebben over de Nederlandse nationaliteit en dat de uitoefening van zijn gezinsleven in Nederland daarom onmogelijk wordt gemaakt, wat volgens hem in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De IND heeft zich om die reden niet specifiek uitgelaten over de vraag of deze omstandigheid onevenredige Unierechtelijke gevolgen heeft voor eiser. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het peilmoment al daadwerkelijk voornemens was om zijn familieleven (weer) in Nederland te gaan uitoefenen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat ook op dit onderdeel geen sprake is van onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor eiser.
8. Met betrekking tot het betoog van eiser dat de onmogelijkheid tot familieleven in Nederland in strijd is met artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat uit vaste rechtspraak volgt dat aan dit artikel geen recht op een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend. Dit betoog kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat verweerder de paspoortaanvraag van eiser in behandeling had moeten nemen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de paspoortaanvraag van eiser buiten behandeling mocht stellen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 15
1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
(…)
c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van dertien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;
Paspoortbesluit
Artikel 2.1. Vaststelling identiteit en Nederlanderschap
1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.
2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.
Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
Artikel 52
1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.1 tot en met 2.17 van het besluit en de artikelen 11 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.
(…)
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, C-221/17 ECLI:EU:C:2019:189.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423.