Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:23508
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,283 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2017
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2024 in de zaak tussen
Vereniging [eiseres], uit [vestigingsplaats] , eiseres,
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M. Van Mil).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van het aantal leerlingen en de voor bekostiging relevante leerlinggegevens op de teldatum 1 februari 2023 voor basisschool [school] .
1.1.
Met het primaire besluit van 29 maart 2023 heeft verweerder dit aantal in het Overzicht Vaststelling Tellingen (Ovt) vastgesteld op 57. Met het bestreden besluit van 5 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 1] en [naam 2] en namens verweerder zijn gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om het bezwaar van eiseres niet inhoudelijk te behandelen, omdat het te laat is ingediend. Eiseres heeft op 2 november 2023 haar bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 29 maart 2023, met daarin het Ovt voor de teldatum 1 februari 2023 voor basisschool [school] . Volgens verweerder is er geen goede reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. De termijnoverschrijding is verontschuldigbaar. Eiseres ontdekte namelijk pas op 30 oktober 2023 dat het aantal leerlingen in het Ovt niet klopt: vijf leerlingen zijn met een verkeerde ingangsdatum ingeschreven. Eiseres heeft toen alsnog en zo snel mogelijk op 2 november 2023 een bezwaarschrift ingediend.
In februari 2023 was er weliswaar een foutmelding in het leerlingenadministratiesysteem ParnaSys voor deze vijf leerlingen, maar eiseres dacht dit destijds te hebben opgelost met de systeembeheerder. Dat het probleem met de vijf inschrijvingen opgelost leek, leidde eiseres ook af uit haar contacten met Bureau Leerrecht. Medio maart 2023 kregen de ouders van de vijf leerlingen namelijk bericht van het Bureau Leerrecht dat hun kind niet bij basisschool [school] stond ingeschreven. Omdat Bureau Leerrecht vervolgens niet betwistte dat de vijf leerlingen wél stonden ingeschreven, dacht eiseres dat de vijf inschrijvingen in orde waren. Het is eiseres vervolgens ontgaan dat de vijf leerlingen niet in het Ovt in het primaire besluit van 29 maart 2023 waren meegeteld.
Eiseres vindt het niet redelijk dat zij nu bijna 8% van haar financiering misloopt, alleen omdat zij niet op tijd heeft gezien dat de inschrijfdatum van de vijf leerlingen niet klopte. Dit strookt niet met de huidige tijdsgeest, waarin van de overheid juist wordt verwacht oog te hebben voor de menselijke maat. Bovendien is verweerder voorbijgegaan aan de hoge werkdruk in het onderwijs.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit is zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan moet verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Als er een goede reden is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, dan verklaart verweerder het bezwaar toch ontvankelijk. Het kan dan gaan om te late indiening die is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook om andere redenen.
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat eiseres haar bezwaarschrift te laat heeft ingediend. De vraag die in deze procedure centraal staat, is of verweerder mocht besluiten om het bezwaarschrift van eiseres niet inhoudelijk te beoordelen, omdat er geen goede reden is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit geval niet valt te verontschuldigen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.3.
Eiseres heeft als professionele onderwijsinstelling een eigen verantwoordelijkheid om tot haar gerichte besluiten goed te lezen en te bezien of ze daartegen bezwaar wil maken. Dit geldt te meer nu het in dit geval gaat om een jaarlijks terugkerend besluit dat de basis vormt van de financiering van de onderwijsinstelling.
4.4.
Daarbij had van eiseres in dit geval extra oplettendheid mogen worden verwacht, omdat zij in de periode voorafgaand aan het primaire besluit al problemen had ervaren met de inschrijving van de betreffende vijf leerlingen. Eiseres ging ervan uit dat de problemen waren opgelost, nadat zij hierover contact had met de systeembeheerder van ParnaSys. Niet gebleken is echter dat eiseres daadwerkelijk heeft gecontroleerd of de vijf leerlingen goed in ParnaSys stonden vermeld, terwijl dit wel van haar mocht worden verwacht.
Daar komt bij dat op de zitting is gebleken dat eiseres zelf actief een wijziging heeft doorgevoerd in ParnaSys die ertoe heeft geleid dat de vijf leerlingen eruit zijn verwijderd, en als gevolg daarvan ook uit het aan ParnaSys gekoppelde Register Onderwijsdeelnemers (ROD - het centrale systeem van DUO). Van een buiten de invloedsfeer van eiseres liggende (technische) fout in het systeem ParnasSys of het ROD is dan ook geen sprake geweest.
Verder hebben de ouders van de vijf leerlingen in maart 2023 contact met eiseres opgenomen, omdat hen bij brief van 22 maart 2023 was meegedeeld dat hun kinderen niet stonden ingeschreven bij basisschool [school] . Op 27 maart 2023, dus nog voordat het primaire besluit was genomen, heeft eiseres daarop de vijf leerlingen weer geregistreerd in ParnasSys. Ook dit had bij eiseres moeten leiden tot een verhoogde mate van alertheid. Dat eiseres in de veronderstelling verkeerde dat het probleem was opgelost omdat zij hierover contact had met Bureau Leerrecht, leidt ook niet tot een ander oordeel. Bureau Leerrecht baseert zich namelijk niet op de gegevens die staan vermeld in het ROD (en in het verlengde daarvan ParnasSys). De algemene en verder niet onderbouwde stelling van eiseres dat sprake is van hoge werkdruk in het onderwijs kan tot slot ook niet leiden tot het oordeel dat, ondanks het voorgaande, eiseres niet of in mindere mate kan worden verweten dat zij te laat bezwaar maakte.
4.5.
Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat de te late indiening niet te verontschuldigen is, dan moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat betekent dat het feit dat het besluit voor eiseres grote financiële gevolgen heeft, bij de beoordeling niet relevant is. Verweerder mocht dit dus buiten beschouwing laten.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk mocht verklaren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.