Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:23507
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,452 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6275
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. U. Alisic),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.H. Verheijen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een bestuurlijke boete van € 15.250,- wegens meerdere overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank ook het beroep van eiseres tegen de door verweerder vastgestelde betalingsregeling voor het voldoen van deze bestuurlijke boete.
1.1.
Met het besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd en besloten deze tezamen met de inspectiegegevens openbaar te maken. Met het besluit van 11 augustus 2023 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Met het besluit van 30 augustus 2023 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld voor deze boete.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres verleent als zorgbureau thuiszorg en welzijnswerk voor ouderen, en ondersteuning en begeleiding van gehandicapten. Naar aanleiding van een melding van een oud-werknemer is de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: de inspectie) een onderzoek gestart bij eiseres. De inspectie heeft over de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 meerdere overtredingen van de Wml geconstateerd: zeven werknemers ontvingen minder dan het wettelijke minimumloon, bij één werknemer werden ten onrechte huisvestingskosten, een eerder contant uitbetaald voorschot en een opgelegde parkeerboete met het netto minimumloon verrekend en twee werknemers ontvingen minder dan de wettelijke minimumvakantiebijslag. Verweerder heeft eiseres daarvoor een bestuurlijke boete van € 15.250,- opgelegd en besloten om de boete en de inspectiegegevens openbaar te maken.
Verweerder heeft ingestemd met een betalingsregeling, op basis waarvan eiseres de boete binnen een termijn van een jaar mag voldoen met elf termijnen van € 1.271,- en een laatste termijn van € 1.269,-.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. De bestuurlijke boete is ten onrechte opgelegd. Allereerst verzoekt eiseres de door haar ingenomen standpunten in de vorige procedures als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder is verweerder bij de berekening van het minimumloon ten onrechte uitgegaan van een arbeidsduur van 36 uur per week. De Collectieve arbeidsovereenkomst voor Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (CAO VVT) waarin deze arbeidsduur wordt gehanteerd, was in de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2019 namelijk niet algemeen verbindend verklaard. Eiseres viel destijds evenmin onder een bedrijfstak-cao of een ondernemings-cao. Hieruit volgt dat de CAO VVT in die periode niet op eiseres van toepassing was en het haar vrijstond om het uurloon te baseren op een arbeidsduur van 40 uur per week. Op grond van een arbeidsduur van 40 uur per week is slechts sprake geweest van onderbetaling van één medewerker en daarmee van een enkele overtreding van de Wml. Op de zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat zij nooit de intentie heeft gehad om iemand te benadelen.
Verder is de betalingsregeling disproportioneel, omdat verweerder bij de vaststelling ervan is uitgegaan van een te hoog eigen vermogen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiseres in de zienswijze en in bezwaar naar voren heeft gebracht. De enkele verwijzing van eiseres naar de zienswijze en de bezwaargronden, zonder te concretiseren op welke punten de motivering van het bestreden besluit volgens eiseres ontoereikend is, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Mocht verweerder een boete opleggen?
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres de overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wml niet betwist. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of verweerder de zes overtredingen van artikel 7, eerste lid, van de Wml op goede gronden heeft vastgesteld. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of verweerder terecht is uitgegaan van een minimumloon, berekend op basis van een normale wekelijkse arbeidsduur van 36 uur per week.
6.1.
De normale arbeidsduur is de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen. Hoe de normale arbeidsduur wordt bepaald, is uitgewerkt in de Toelichting op de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving 2018. Daaruit volgt dat allereerst moet worden bezien of de werkgever en de werknemer onder de werkingssfeer van een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) vallen. Als dit niet zo is, dan moet worden bezien of in de branche waarin de werkgever en werknemer werkzaam zijn een normale arbeidsduur geldt. Daarvoor kan bijvoorbeeld worden gekeken naar een geldende of verlopen CAO die in dezelfde branche van toepassing is (geweest).
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verweerder terecht is uitgegaan van de CAO VVT. In die CAO is de normale wekelijkse arbeidsduur bepaald op 36 uur per week. Verweerder heeft daarom terecht een minimumloon berekend op basis van een normale wekelijkse arbeidsduur van 36 uur per week. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
Partijen zijn het erover eens dat eiseres van 1 juni 2019 tot 1 juli 2019 viel onder de werkingssfeer van de CAO VVT, omdat die toen algemeen verbindend verklaard was.
Voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2019 geldt dat de CAO VVT niet meer algemeen verbindend verklaard was. Daarom viel eiseres toen niet meer onder de werkingssfeer van deze CAO. Maar verweerder heeft, gelet op het hiervoor onder 6.1 geschetste beoordelingskader, terecht gekeken naar de eerder geldende CAO VVT om de normale wekelijkse arbeidsduur te bepalen.
6.3.
Verweerder heeft dus op goede gronden de zes overtredingen van artikel 7, eerste lid, van de Wml vastgesteld. Uit dat wat eiseres naar voren heeft gebracht is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding en dat verweerder om die reden had moeten afzien van boeteoplegging. Dat eiseres niet de bedoeling had om iemand te benadelen leidt niet tot een ander oordeel, omdat opzet niet is vereist bij deze overtredingen van de Wml. Verder is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die de hoogte van de bestuurlijke boete onevenredig zou maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de bestuurlijke boete van € 15.250,- aan eiseres mocht opleggen.
Vaststelling betalingsregeling
7. Verweerder heeft beleidsregels opgesteld voor het vaststellen van een betalingsregeling. Daarin is bepaald dat verweerder, op basis van een door de schuldenaar ingevulde vragenlijst en aangeleverde bewijsmiddelen, het vermogen en het inkomen van de schuldenaar beoordeelt. Als de waarde van het vermogen groter is dan de boete, dan is er voldoende draagkracht. Een langlopende betalingsregeling is dan niet mogelijk, maar een kortlopende betalingsregeling van drie maanden wel.
7.1.
Verweerder heeft vastgesteld dat het eigen vermogen van eiseres op 31 december 2022 € 139.546 bedroeg en dat eiseres de boete hieruit kan voldoen. Hoewel eiseres op basis van de beleidsregels daarvoor niet in aanmerking komt, heeft verweerder haar toch een betalingsregeling van een jaar aangeboden.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat uit de door eiseres ingebrachte stukken blijkt dat haar vermogen hoger is dan de bestuurlijke boete. Verweerder hoefde op grond van de beleidsregels alleen een kortlopende betalingsregeling aan te bieden. Verweerder heeft dus ten gunste van eiseres afgeweken van de beleidsregels. Verder heeft eiseres niet toegelicht waarom verweerder de hoogte van het eigen vermogen onjuist zou hebben vastgesteld. De niet onderbouwde stelling dat twee vorderingen van € 73.140 en € 66.980 ten laste zullen komen van haar eigen vermogen is daarvoor onvoldoende.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de bestuurlijke boete aan eiseres mocht opleggen en hij de hiermee samenhangende betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:94
1. Het bestuursorgaan kan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.
2. Gedurende het uitstel kan het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen.
3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
4. Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.
Artikel 4:125
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
(…)
Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijke voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
(…)
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
Artikel 7
1. De werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld.
(…)
Artikel 12
(…)
3. Onder normale arbeidsduur als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen met dien verstande dat hierbij een arbeidsduur van ten hoogste 40 uren per week in aanmerking wordt genomen.
Artikel 13
1. Het minimumloon is niet vatbaar voor inhouding of verrekening door de werkgever met overeenkomstige toepassing van artikel 631 onderscheidenlijk artikel 632, met uitzondering van het tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. In afwijking van het eerste lid is inhouding toegestaan, met overeenkomstige toepassing van artikel 632, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen betalingsverplichtingen van de werknemer worden aangewezen ten aanzien waarvan hij bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten, met inachtneming van hetgeen overigens in artikel 631 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Deze betalingsverplichtingen kunnen voor te onderscheiden categorieën van werknemers verschillend worden aangewezen. In afwijking van artikel 3, eerste lid, kunnen tevens betalingsverplichtingen worden aangewezen van werknemers die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen door of vanwege het Rijk of het bevoegde gezag van een provincie, gemeente, waterschap, veenschap en veenpolder, indien, op grond van artikel 615 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is verklaard.
3. In afwijking van het eerste lid zijn voorschotten op het minimumloon, overeenkomstig artikel 7a aan de werknemer verstrekt, vatbaar voor verrekening met het minimumloon, mits dit vooraf schriftelijk met de werknemer is overeengekomen.
Artikel 15
1. De werknemer heeft jegens de werkgever recht op een vakantiebijslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij tijdens de dienstbetrekking krachtens de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of de artikelen 4:2b of 6:3 van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet aanspraak heeft, met dien verstande, dat het bedrag waarmede de som van dit loon en deze uitkeringen het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft.
(…)
Artikel 18b
1. Als overtreding wordt aangemerkt:
a. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7 en 7a;
b. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot voldoening van de minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikelen 15 of 16;
c. het door een werkgever verrichten van inhouding op of verrekening met het minimumloon, in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 13;
(…)
Artikel 18c
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.
Artikel 18pa
1. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 18a, eerste en tweede lid, of 18c, eerste lid, maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in artikel 18b, eerste en tweede lid, dat een besluit is genomen als bedoeld in artikel 18i, tweede lid, of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet.
(…)
Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2018
Artikel 2
Indien een werkgever de op hem rustende verplichting, als bedoeld in artikel 7, van de wet, niet of onvoldoende nakomt, wordt hem per werknemer ten aanzien van wie de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opgelegd waarvan de hoogte wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel.
Artikel 10
1.