Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:23502
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,783 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2012
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I.E. Mussche),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. W.R.C. Adang).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om de toekenning van een militair invaliditeitspensioen (MIP).
1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 2 juli 2021 genomen. Met het bestreden besluit van 6 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn vrouw, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiser was van 24 maart 2014 tot 1 juni 2021 in dienst bij Defensie en was ingedeeld bij het Commando Luchtstrijdkrachten. Hij was geplaatst op de functie van brandweerman op de Vliegbasis Eindhoven.
2.2.
Eiser is in juni 2018 uitgevallen in verband met chronische lage rugklachten en is naar aanleiding daarvan onderworpen aan een militair geneeskundig onderzoek. Uit de op 1 juli 2020 uitgebrachte medische rapportage blijkt dat de klachten van eiser zijn gediagnosticeerd als ‘chronische aspecifieke lage rugpijn’. Verder is bij aanvullend onderzoek als toevalsbevinding een meningeoom ontdekt. In verband met blijvende beperkingen ten aanzien van de militaire basiseisen en het recidiverende beloop van de klachten is eiser blijvend ongeschikt geacht voor het verder vervullen van de militaire dienst. Voor zowel de rugklachten als het meningeoom is geen dienstverband aanvaard.
2.3.
Eiser heeft op 3 maart 2021 bij verweerder een verzoek ingediend om toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen. Verweerder is daarbij verzocht om ook in te gaan op de vraag of hij in aanmerking komt voor de toekenning van een MIP. Bij het primaire besluit van 2 juli 2021 heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een MIP omdat volgens de op 1 juli 2020 uitgebrachte medische rapportage geen sprake is van een dienstverband ten aanzien van de klachten van eiser.
2.4.
Het door eiser tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder voorgelegd aan verzekeringsarts dr. [naam 1] . In zijn advies van 10 februari 2022 stelt [naam 1] dat het militair geneeskundig onderzoek bij eiser zorgvuldig is verlopen en de hieruit voortvloeiende conclusies in de op 1 juli 2020 uitgebrachte medische rapportage juist en navolgbaar zijn. Ten aanzien van de rugklachten van eiser stelt [naam 1] dat dit kan worden veroorzaakt door zware fysieke belasting, maar dat het normale beloop is dat zulke klachten binnen enkele weken tot maanden verbeteren. Er bestaat geen medische verklaring voor het feit dat deze klachten bij eiser desondanks blijven voortbestaan. Bovendien zijn de klachten van eiser na de ziekmelding aanvankelijk erger geworden, terwijl hij destijds al niet meer werkzaam was als brandweerman bij Defensie. Ook dit is een aanwijzing voor het ontbreken van een causaal verband tussen deze klachten en de uitoefening van de militaire dienst.
2.5.
Verweerder heeft eiser op zijn verzoek na het uitgebrachte advies van verzekeringsarts [naam 1] in de gelegenheid gesteld tot het uitzetten van een orthopedische expertise, welke is verricht door dr. [naam 2] . In zijn opgemaakte rapportage van 15 februari 2023 stelt [naam 2] dat de klachten van eiser zonder twijfel zijn ontstaan gedurende zijn dienstverband als brandweerman op de vliegbasis Eindhoven. Uit verschillende medische stukken blijkt dat eiser als startmoment voor het ontstaan van zijn klachten heeft gewezen op een militaire oefening die plaatsvond begin 2018. Tijdens deze oefening moest eiser samen met een kompaan een lotuspassagier van 130 kilo uit een brandend vliegtuig manoeuvreren. Op enig moment werd de hiervoor gebruikte brancard door de kompaan van eiser losgelaten, waardoor al het gewicht in één klap bij eiser terecht kwam. Van dit voorval is echter geen proces-verbaal opgemaakt waardoor dit niet door een derde partij kan worden bevestigd. Pre-existent aan dit voorval is het zeer wel mogelijk dat ook bij jonge gezonde mensen reeds enige dehydratie in de discus aanwezig is. Bij het aangrijpen van dit ongeval op deze enigszins gehydreerde discus kan dat ongeval een hernia veroorzaken.
2.6.
Verweerder heeft de orthopedische expertise van [naam 2] eveneens voorgelegd aan verzekeringsarts [naam 1] . In zijn uitgebrachte advies van 11 oktober 2023 blijft [naam 1] bij zijn standpunt dat ten aanzien van de klachten van eiser geen causaal verband kan worden aangenomen met de uitoefening van de militaire dienst. Ten aanzien van het incident met de brandcard stelt [naam 1] dat er onvoldoende documentatie beschikbaar is die het daadwerkelijk plaatsvinden van dit incident ondersteunen. Verder wijst [naam 1] er nog op dat [naam 2] in zijn orthopedische expertise heeft gesteld dat het niet uitgesloten kan worden dat er pre-existent reeds enige dehydratie van de tussenwervelschijf aanwezig was, waardoor het incident klachten kon ontlokken. Volgens [naam 1] kan hieruit worden geconcludeerd dat het incident, als deze al zou hebben plaatsgevonden, op zichzelf onvoldoende zou zijn om een hernia te veroorzaken.
2.7.
Verweerder heeft zich bij het advies van verzekeringsarts [naam 1] aangesloten en het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit van 6 februari 2024 onder verwijzing daarnaar ongegrond verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser kan zich niet verenigen met de beslissing van verweerder om hem geen MIP toe te kennen ten aanzien van zijn rugklachten en stelt dat wel degelijk sprake is van een dienstverband. Verzekeringsarts [naam 1] heeft in zijn advies te weinig oog gehad voor het feit dat eiser in zijn functie als brandweerman bij Vliegbasis Eindhoven zware fysieke arbeid heeft moeten verrichten onder zeer zware omstandigheden. Daarbij was in de betreffende periode sprake van een chronisch personeelstekort, waardoor veel werd gevraagd van het wel beschikbare personeel. Verder blijkt ook uit de medische stukken dat de werkzaamheden worden gezien als een factor voor het ontstaan van zijn rugklachten. Door orthopeed [naam 2] wordt zelfs gesteld dat de klachten van eiser zonder twijfel zijn ontstaan gedurende zijn dienstverband. Ten aanzien van de stelling van verzekeringsarts [naam 1] dat het normale verloop is dat zulke klachten binnen enkele weken tot maanden verbeteren, stelt eiser dat dit een algemene opmerking betreft en in zijn situatie niet op gaat. Verder wijst eiser erop dat recent ten aanzien van zijn psychische klachten in een medische rapportage is geconcludeerd dat daarvoor een dienstverband in de zin van artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV is aangenomen. Dit betekent dat eiser ten aanzien van de klachten die centraal staan in deze procedure een beroep kan doen op het tweede lid van dit artikel, dat stelt dat indien voor een bepaalde ziekte of gebrek arbeidsongeschiktheid met dienstverband is aangenomen, dit eveneens geldt voor een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een andere ziekte of gebrek waarvoor dat verband niet kon worden aangenomen. Subsidiair doet eiser gelet op de bijzondere omstandigheden die in deze zaak spelen een beroep op de hardheidsclausule.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De vraag die in deze procedure centraal staat, is of verweerder het verzoek van eiser tot toekenning van een MIP ten aanzien van zijn rugklachten in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat een van de voorwaarden voor het toekennen van een MIP is dat de ziekte of gebrek een mate van invaliditeit veroorzaakt van tenminste tien procent. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV waar eiser mede een beroep op doet heeft betrekking op arbeidsongeschiktheid met dienstverband en is daarmee voor deze procedure niet relevant. De omstandigheid dat ten aanzien van de psychische klachten van eiser wel een dienstverband in de zin van artikel 2, eerste lid, van het Besluit AO/IV is aangenomen, mocht door verweerder bij de beoordeling van de vraag of sprake is van invaliditeit met dienstverband ten aanzien van zijn rugklachten dan ook buiten beschouwing worden gelaten.
5. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het aan verweerder is om naar aanleiding van een aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen medisch onderzoek te laten uitvoeren en op basis daarvan een beoordeling te verrichten van de invaliditeit van de aanvrager en het verband met de dienst.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om toekenning van een MIP in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 22 van het Besluit AO/IV.
Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1214.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:534.