Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:23493
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,669 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/683
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. S.V. Benjamin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 6 oktober 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 28 december 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, T.J. Hussain (tolk van eiseres) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres was van 2 oktober 2020 tot 1 augustus 2023 woonachtig in de woning aan de [adres] te [plaats] , waar zij een kamer huurde. Haar minderjarige dochter verbleef in die periode bij haar vader omdat de woning van eiseres niet passend voor haar was. Eiseres is vanaf 1 augustus 2023 dakloos geworden nadat de verhuurder de woning heeft verkocht. Sindsdien verblijft zij met haar dochter afwisselend bij vriendinnen en de daklozenopvang. Eiseres stelt dat zij en haar dochter door deze situatie veel stress ervaren. Gelet op het voorgaande heeft zij namens zichzelf en haar dochter een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat er meerdere algemene weigeringsgronden van toepassing zijn. Zo is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, kon door eiseres het huisvestingsprobleem worden voorkomen of was deze te voorzien en woont zij in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is. Verder bestaat volgens verweerder geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen om in afwijking van het beleid alsnog een urgentieverklaring te verlenen.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres kan zich niet verenigen met de afwijzing van haar aanvraag. Zo is wel degelijk sprake van een urgent woonprobleem, nu zij haar woning is kwijtgeraakt en sindsdien dakloos is. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat zij het woonprobleem had kunnen voorkomen. Onder de gegeven omstandigheden had zij geen andere keuze dan in te stemmen met de beëindiging van de huurovereenkomst, daar zij anders een civiele procedure had moeten starten. Dit had voor haar onacceptabele financiële risico’s met zich meegebracht. Bovendien heeft verweerder eiser ten onrechte tegengeworpen dat zij niet actief contact heeft gezocht met een makelaar voor het krijgen van woonruimte elders. Eiseres stelt juist dat de betreffende makelaar niets voor haar wilde betekenen. Daarbij had verweerder met betrekking tot deze weigeringsgrond niet mogen meewegen dat eiseres haar eerdere woning heeft verlaten die zij samen met haar voormalige partner had. Zij heeft de aanvraag immers niet vanuit die situatie ingediend, nu zij direct daarna de woning aan de [adres] heeft betrokken. Verder komt eiseres op tegen de door verweerder toegepaste weigeringsgrond dat zij woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is. Zij stelt daartoe dat het doel van deze bepaling is om in het geval van kamerverhuur geen urgentieverklaring te verlenen. Van kamerverhuur was in het geval van eiseres echter geen sprake. Haar toenmalige woning heeft immers meer kenmerken van een zelfstandige woonruimte dan van een onzelfstandige woonruimte. Verder heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit de belangen van het kind van eiseres onvoldoende meegewogen. Tot slot heeft verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte en beleidsvrijheid toekomt. Daarom moet de rechtbank het bestreden besluit terughoudend toetsen. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan het opgestelde beoordelingssysteem. Indien zich één van de algemene weigeringsgronden voordoet, wordt een urgentieverklaring door verweerder in beginsel geweigerd. Een inhoudelijke toets om te kijken of de woonsituatie van eiseres door sociale of medische omstandigheden als levensbedreigend of ontwrichtend moet worden aangemerkt, blijft in dat geval achterwege. Dit restrictieve beleid van verweerder is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht vanwege het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het kleine aantal toewijsbare huurwoningen dat beschikbaar komt.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de urgentieaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen, omdat er sprake is van meerdere weigeringsgronden. Eiseres woonde ten tijde van de aanvraag in een onzelfstandige woonruimte, hetgeen op grond van het beleid van verweerder niet kan worden aangemerkt als een urgent woonprobleem. Het betoog van eiseres dat deze woning de kenmerken heeft van een zelfstandige woonruimte en ook als zodanig moet worden aangemerkt, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Uit de stukken blijkt immers dat zij een kamer huurde en verschillende voorzieningen moest delen met andere bewoners. Ook ten aanzien van de dakloosheid die gedurende de procedure bij eiseres is ontstaan, heeft verweerder terecht gesteld dat deze situatie uitdrukkelijk is uitgezonderd van het verkrijgen van een urgentieverklaring. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs tot haar mogelijkheden behoort om het woonprobleem te voorkomen of op te lossen. Uit het proces-verbaal van het vonnis van de kantonrechter blijkt immers dat eiseres zelf met de verhuurder van de woning aan de [adres] is overeengekomen om de huurovereenkomst per 1 augustus 2023 te beëindigen. Hiermee had het voor eiseres duidelijk moeten zijn dat zij vanaf die datum niet meer over de woning kon beschikken. De stelling van eiseres dat zij geen andere keuze had omdat de nieuwe eigenaar van de woning al was begonnen met bouwwerkzaamheden en nakoming van de huurovereenkomst daarom niet meer mogelijk was, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Net als verweerder wijst de rechtbank erop dat de eigendomsoverdracht van de woning in beginsel de aan die woning verbonden huurovereenkomst niet aantast en dat eiseres gelet daarop een civielrechtelijke procedure had kunnen starten. Door eiseres zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die aannemelijk maken dat in dit geval desondanks van deze algemene regel kon worden afgeweken. De rechtbank ziet dan ook niet in dat het starten van een civielrechtelijke procedure onacceptabele financiële risico’s voor eiseres met zich had meegebracht. Nog daargelaten of eiseres al dan niet actief een makelaar heeft benaderd voor alternatieve woonruimte, heeft verweerder verder nog gesteld dat eiseres zich nog kan aanmelden bij Divorce Housing. Niet is gebleken dat eiseres van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt en daarmee alle mogelijkheden voor het oplossen van het huisvestingsprobleem heeft uitgeput.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande terecht niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.
8. Verweerder voert het zeer terughoudende beleid dat toepassing van de hardheidsclausule alleen is bedoeld voor uitzonderlijke en schrijnende gevallen vanwege het tekort aan sociale huurwoningen en de vele woningzoekenden in de regio Haaglanden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie van eiseres en haar kind niet ideaal is, onderscheiden zij zich met hun woonsituatie onvoldoende van anderen die zich in een soortgelijke situatie bevinden. Verweerder heeft zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van het kind van eiseres. Verweerder mocht in dat kader rekening houden met het feit dat het kind staat ingeschreven op het BRP-adres van de vader en deze blijkens het door eiseres ingebrachte Ouderschapsplan eveneens het gezag over het kind heeft. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vader van het kind desondanks niet in staat is om de zorg voor haar te dragen. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het wonen bij de vader voor haar dochter niet comfortabel is, heeft verweerder terecht gesteld dat het toepassen van de hardheidsclausule niet voor een dergelijke situatie is bedoeld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de situatie van eiseres en haar dochter niet zo uitzonderlijk en schrijnend is dat verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring te verstrekken.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 4:5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring als naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
(…)
b. er geen sprake is van een huisvestingsprobleem;
(…)
d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien;
(…)
l. de aanvrager woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6, eerste lid, onder a;
(…)
Artikel 7:3 Hardheidsclausule
Burgemeesters en wethouders kunnen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019
Artikel 2.1.2 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder b, van de verordening
Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor indeling in een urgentiecategorie mogelijk is, bij de volgende op zichzelf staande situaties:
(…)
m. de aanvrager is of wordt dakloos;
n. de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap;
o. de aanvrager heeft psychische problemen als gevolg van één of meer van de hierboven genoemde omstandigheden.
Artikel 2.1.4 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder d, van de verordening
Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs kon worden voorkomen of te voorzien was, indien de aanvrager:
(…)
j. niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen.
Artikel 2.1.12 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder l, van de verordening
Een woningzoekende kan niet in een urgentiecategorie worden ingedeeld, indien de aanvrager woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6, eerste lid, onder a van de verordening (mantelzorg en blijf-van-mijn-lijf-huis) óf plaatsvindt op grond van een overeenkomst tussen de afdeling Wonen en de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit geldt in ieder geval voor:
(…)
b. een woningzoekende die verblijf heeft in een instelling bedoeld in artikel 3:9 van de verordening.
Zie artikel 4:5, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Huisvestingsverordening), in samenhang gelezen met artikel 2.1.2, aanhef en onder m, n en o van de Beleidsregel Urgentieverklaringen Den Haag 2019 (Beleidsregel).
Zie artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening, in samenhang gelezen met artikel 2.1.4, aanhef en onder j, van de Beleidsregel.
Zie artikel 4:5, aanhef en onder l, van de Huisvestingsverordening, in samenhang gelezen met artikel 2.1.12, aanhef en onder b, van de Beleidsregel.
Zie artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:857.
Zie in dat verband artikel 7:226 van het Burgerlijk Wetboek.