Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:23491
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,219 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7287
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. W.M. Logtenberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op zijn openbaarmakingsverzoek.
1.1.
Bij besluit van 20 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek dat eiser heeft ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft het hiertegen gerichte bezwaar van eiser ongegrond verklaard bij besluit van 18 oktober 2023 (het bestreden besluit).
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens verweerder zijn gemachtigde en [naam] .
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiser heeft op 17 mei 2023 een Woo-verzoek ingediend bij verweerder. Hierin wordt verzocht om informatie over de handhavingsstukken en uitgevoerde controles met betrekking tot het Haags Economisch Interventie Team (HEIT) in de afgelopen 9 jaar. Ten aanzien van de handhavingsstukken gaat het om alle correspondentie tussen de ketenpartners, (bestuurlijke) rapporten, mutaties, waarschuwingen, boetes, processen-verbaal of andere documenten die betrekking hebben op handhavingsacties die zijn ondernomen op basis van het HEIT en de zogenaamde integrale handhavingsacties. Ten aanzien van de uitgevoerde controles verzoekt eiser een overzicht te verstrekken van alle (integrale) controles die zijn uitgevoerd in het kader van het HEIT. Dit overzicht moet informatie bevatten over de locaties waar de controles hebben plaatsgevonden, de aard van de gecontroleerde activiteiten, de selectiecriteria van de controles en de frequentie en resultaten van deze controles.
2.2.
Op 2 juni 2023 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden met als doel het verzoek van eiser nader te preciseren. Daarbij is afgesproken dat verweerder informatie zal aanleveren over het verzorgingsgebied van de politiebureaus Heemstraat en de Jan-Hendrikstraat. Deze informatie gaat over het aantal controles en hercontroles in de afgelopen 5 tot 7 jaar (afhankelijk van de geldende bewaartermijn). Daarnaast zal verweerder zich in redelijke mate inspannen om de informatie te specificeren naar branche en naar unieke controles.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft op het verzoek beslist en eiser een schematische weergave verstrekt van de beschikbare cijfers van (her)controles in de twee verzorgingsgebieden aan de Heemstraat en de Jan-Hendrikstraat op brancheniveau. De aangeleverde cijfers hebben betrekking op de afgelopen vijf kalenderjaren. Door verweerder zijn hierbij geen namen van individuele ondernemingen verstrekt omdat deze niet zijn genoemd in het verzoek zoals die tot stand is gekomen na het preciseringsoverleg. Bovendien zouden de ondernemingen door openbaarmaking van deze gegevens onevenredig benadeeld kunnen worden.
Wat zijn de regels?
4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser kan zich niet verenigen met de beslissing op zijn verzoek. Verweerder heeft de reikwijdte van zijn verzoek te beperkt opgevat. Zo was volgens hem afgesproken dat hij een lijst zou krijgen met daarop de namen van de individuele ondernemingen die de afgelopen vijf jaren zijn gecontroleerd. Alleen op deze wijze kan immers worden gecontroleerd of bij de (her)controles sprake is geweest van etnische profilering. Eiser ziet verder niet in waarom in dit geval het belang van ondernemingen bij geheimhouding van deze gegevens zou moeten prevaleren boven het algemene belang van openbaarmaking. In dat kader wijst eiser erop dat een controle doorgaans overdag plaatsvindt en daarmee in de aanwezigheid van klanten en de pers. Bovendien worden in het geval van een sluiting van een onderneming grote aankondigingsborden geplaatst. Verder geldt bij het toepassen van de weigeringsgrond genoemd in artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo voor het bestuursorgaan een verzwaarde motiveringsplicht. Een dergelijke motivering ontbreekt volgens eiser. Daarbij wijst eiser erop dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) wel de namen van de gecontroleerde ondernemingen publiceert.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat bij de bepaling van de reikwijdte van een Woo-verzoek de gebruikte bewoordingen en de context waarin het verzoek wordt gedaan moeten worden betrokken. Uitbreiding of aanvulling van een Woo-verzoek in de bezwaarfase verdraagt zich niet met het wettelijk stelsel, waarbij een bestuursorgaan een besluit op een Woo-verzoek neemt en een eventueel gemaakt bezwaar nog steeds op het oorspronkelijke verzoek betrekking heeft.
6.1.
Eiser heeft in zijn aanvankelijke verzoek onder meer verzocht om informatie te verstrekken over de locaties waar de uitgevoerde (her)controles hebben plaatsgevonden. Verder is ter zitting gebleken dat bij het overleg van 2 juni 2023 ter precisering van het aanvankelijke verzoek van eiser eveneens is gesproken over de openbaarmaking van namen van individuele ondernemingen, maar dat verweerder heeft aangegeven dat dit gelet op de weigeringsgronden in de Woo een lastig verhaal wordt. De rechtbank maakt hieruit op dat het eiser vanaf het begin te doen is geweest om de namen van individuele ondernemingen openbaar te maken. De rechtbank vindt hiervoor eveneens een aanwijzing in de omstandigheid dat eiser heeft aangegeven dat het doel van zijn verzoek is om erachter te komen of bij de (her)controles sprake is geweest van etnische profilering en dit niet kan worden afgeleid uit een overzicht van controles op brancheniveau. De enkele omstandigheid dat verweerder tijdens het overleg een voorbehoud heeft gemaakt en eiser niet heeft gereageerd op de brief van 7 juli 2023 waarin de uiteindelijke afspraken ook zijn vastgelegd, maakt het voorgaande niet anders. Zoals onder rechtsoverweging 5 al is overwogen, gaat het immers om zowel de gebruikte bewoordingen van een verzoek als om de context waarbinnen deze is gedaan. Anders dan verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat de reikwijdte van het verzoek van eiser mede betrekking heeft op de namen individuele ondernemingen.
7. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of verweerder de namen van individuele ondernemingen terecht heeft geweigerd op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.
7.1.
Op grond van dit artikel kan openbaarmaking in uitzonderlijke gevallen achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het toepassen van deze uitzonderingsgrond is alleen toegestaan in uitzonderlijke gevallen. Daarmee hebben de initiatiefnemers gekozen voor een zwaardere motiveringsplicht dan voor andere uitzonderingsgronden.
7.2.
In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat indien namen van gecontroleerde ondernemingen openbaar worden gemaakt, deze ondernemingen hierdoor mogelijk onterecht in een kwaad daglicht kunnen worden gesteld. Openbaarmaking van de gegevens zou betekenen dat eenieder kennis kan nemen van informatie gebaseerd op signalen dat een onderneming mogelijk de wet zou hebben overtreden. Hierdoor wordt mogelijk de goede naam van ondernemers aangetast en kan de onderneming mogelijk imagoschade of andere financiële schade leiden. Bovendien kunnen klanten zich minder veilig voelen in een onderneming, minder vertrouwen in deze onderneming hebben of mogelijk onterechte verdenkingen uiten. Verder kan openbaarmaking van namen van ondernemingen leiden tot een minder coöperatieve werking van een onderneming tijdens een controle.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat deze door verweerder gegeven motivering tekort schiet om de weigering tot openbaarmaking van namen van individuele ondernemingen op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo te kunnen dragen. Verweerder heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van namen van individuele ondernemingen leidt tot schade bij deze ondernemingen en daarmee tot onevenredige benadeling van die ondernemingen. Dat hier ‘mogelijk’ sprake van kan zijn is in het licht van de zwaardere motiveringsplicht onvoldoende concreet.
Conclusie
9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen een termijn van acht weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor veroordeling van verweerder tot het toekennen van een proceskostenvergoeding aan eiser bestaat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aanleiding omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 oktober 2023;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Wet open overheid
Artikel 4.1. Verzoek
(…)
5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
(…)
Artikel 5.1. Uitzonderingen
(…)
5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in ht eerste of tweede lid genoemde gronden.
(…)
Op grond van artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo.
Op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:922.
Kamerstukken I 2021/22, 33328, AB, p. 96.