Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:23490
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,969 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7276
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. R.D. Fehrmann).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een bestuurlijke boete.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 23 mei 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 27 september 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) en verhuurt deze. Na een overlastmelding hebben inspecteurs van de Haagse Pandbrigade (hierna: de inspecteurs) de woning op 10 maart 2023 bezocht en vastgesteld dat eiser de woning in gebruik heeft gegeven aan huurders die op dat moment niet beschikten over een huisvestingsvergunning en daarmee de wet heeft overtreden. Verweerder heeft eiser om die reden een bestuurlijke boete van € 5.000,- opgelegd.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser kan zich niet verenigen met de oplegging van de bestuurlijke boete en stelt dat deze in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hij wijst op een andere zaak waarbij sprake was van overbewoning, het ontbreken van rookmelders en andere veiligheidsrisico’s. Verweerder heeft er in die zaak voor gekozen om een last onder dwangsom op te leggen en daarmee de overtreder de mogelijkheid geboden de illegale situatie ongedaan te maken. De door eiser begane overtreding betreft een administratieve omissie en kan daarmee als minder ernstig worden gekwalificeerd dan de overtredingen in de aangehaalde zaak. Bovendien was bij eiser geen sprake van kwade intenties. Ook in zijn geval had daarom kunnen worden volstaan met een waarschuwing of de oplegging van een herstelsanctie. De redenering van verweerder dat voor deze overtreding een bestuurlijke boete wordt opgelegd omdat dit noodzakelijk is om ontwrichting van gezinnen te voorkomen, acht eiser niet overtuigend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de woning in gebruik heeft gegeven aan een huishouden dat niet beschikte over een daartoe vereiste huisvestingsvergunning. De bevoegdheid van verweerder om een bestuurlijke boete op te leggen aan eiser is daarmee gegeven.
6. Op grond van artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen bestuurlijke boete worden opgelegd als de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid is van eiser om ervoor te zorgen dat bij verhuur van de woning in overeenstemming wordt gehandeld met verplichtingen die volgen uit de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening. Dit betekent concreet voor deze zaak dat eiser de woning pas in gebruik had mogen geven zodra de huurders eiser hadden laten zien over een huisvestingsvergunning te beschikken. Eiser heeft dit echter nagelaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de overtreding ook aan hem kan worden toegerekend.
7. Verweerder heeft toegelicht dat bij het opleggen van een bestuurlijke boete de vaste gedragslijn wordt gehanteerd dat niet eerst een waarschuwing wordt gegeven omdat dit geen afschrikwekkende werking heeft. Een belangrijk doel van het opleggen van een bestuurlijke boete is het voorkomen van toekomstige overtredingen. Deze vaste gedragslijn acht de rechtbank niet onredelijk. Zonder een ontvankelijke aanvraag voor een huisvestingsvergunning is het vooruitzicht op legalisering immers onzeker en kunnen in de tussentijd overtredingen worden gepleegd. De rechtbank ziet in de verwijzing van eiser naar een andere zaak geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval van deze gedragslijn had moeten afwijken en eiseres eerst een waarschuwing of anders een last onder dwangsom had moeten opleggen. Ook het gegeven dat eiser zijn woning heeft verhuurd aan drie broers en niet aan een gezin maakt, gelet op het bovenstaande, niet dat verweerder de boete niet had mogen opleggen.
8. Verweerder is in geval van niet-bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte in beginsel verplicht een bestuurlijke boete op te leggen van € 5.000,-. Hoewel de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld en sprake is van een gefixeerd boetestelsel, moet verweerder niettemin een lagere bestuurlijke boete opleggen indien eiser aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Volgens vaste rechtspraak kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een boete te matigen.
8.1.
Er zijn door eiser geen bijzondere omstandigheden genoemd die verweerder aanleiding hadden moeten geven de bestuurlijke boete te matigen. Dat geen sprake is geweest van kwade intenties bij eiser kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Verder heeft eiser zijn stelling dat de oplegging van de bestuurlijke boete een zware financiële impact op hem heeft, niet met nadere stukken onderbouwd. Gelet daarop mocht verweerder uitgaan van het gefixeerde boetebedrag van € 5.000,-.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Huisvestingswet 2014
Artikel 7
1. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad categorieën woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven indien daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend.
2. Het eerste lid is ten aanzien van het kunnen aanwijzen van voor verkoop bestemde woonruimte alleen van toepassing op nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte met een koopprijs van ten hoogste € 390.000,- nadat bij koninklijke boodschap van 9 september 2022 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Huisvestingswet 2014 (Kamerstukken 36 190) tot wet is verheven en in werking is getreden.
(…)
Artikel 8
1. Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 7 voor bewoning in gebruik te nemen zonder vergunning van burgemeester en wethouders.
2. Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 7 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
- middeldure woonruimten: woonruimten met een aanvangshuurprijs boven de huurprijsgrens en tot en met 185 punten op grond van artikel 5 van Besluit huurprijzen woonruimte en artikel 10 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte; alle woonruimten met een aanvangshuurprijs boven de huurprijsgrens die minder of gelijk is aan de volgens Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimten gestelde maximale huurprijs voor 185 punten; voor de puntenvaststelling van de gemeente wordt met het oog op efficiëntie en effectiviteit (mede) uitgegaan van de woonruimten die de gemeente zelf heeft verkregen ten behoeve van het vaststellen van de waarde onroerende zaakbelasting;
Artikel 2:1 Reikwijdte
1. De artikelen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op woonruimten met een huurprijs beneden de huurprijsgrens én op woonruimten met een middenhuur.
(…)
Artikel 2:2 Huisvestingsvergunning
1. Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte zoals bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, in gebruik te nemen voor bewoning.
2. Het is verboden de in artikel 2:1, eerste lid, bedoelde woonruimte voor bewoning is gebruik te geven aan een huishouden, dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Artikel 7:2 Bestuurlijke boete
1. Voor overtreding van de artikelen 8, 21 of 22, 23a, 23b, 23c of 41 van de Huisvestingswet 2014, of het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen.
(…)
7. Bij toepassing van het gestelde in voorgaande leden hanteren burgemeester en wethouders de boetes als vermeld in bijlage II van deze verordening.
Artikel 8:1 Overgangsbepaling bezwaar en beroep
De Huisvestingsverordening Den Haag 2019 blijft van toepassing op bezwaar- en beroepsprocedures betreffende bezwaar- en beroepschriften die vóór de dag van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, als dit voor bezwaarmaker gunstiger is.
Bijlage II
Bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 7:2, zevende lid van deze verordening.
- Artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 (niet-bedrijfsmatige exploitatie en 1e overtreding): € 5.000,-.
Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014, in samenhang gelezen met artikel 1:1, 2:1, 2:2, 7:2 en Bijlage II van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2023:3759.
Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1654.