Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:23489
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,925 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8338
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser 1]
[eiser 2] en
[eiser 1]
, uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. N.P. Van Maurik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een Nederlands paspoort.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 21 april 2020 genomen. Bij het bestreden besluit van 31 oktober 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van hun aanvragen gebleven.
1.2.
Eisers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen en hebben hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers zijn geboren in Irak en zijn de kinderen van [naam 1] (hierna: de vader van eisers) en [naam 2] (hierna: de moeder van eisers). De vader van eisers is op [geboortedatum] 1970 geboren in Irak en heeft op 19 mei 1998 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Aan hem is op 1 april 2016 voor het laatst een Nederlands paspoort verstrekt dat geldig is tot 1 april 2026. De vader van eisers is gehuwd met de moeder van eisers, die enkel de beschikking heeft over de Irakese nationaliteit. Op 27 november 2019 heeft de vader van eisers bij de Nederlandse ambassade in Ankara namens de destijds nog minderjarige eisers aanvragen gedaan voor een Nederlands paspoort.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvragen afgewezen omdat de door de vader van eisers bij de aanvraag gevoegde huwelijksakte door Bureau Documenten vals is bevonden. Door het ontbreken van een geldige huwelijksakte kan niet worden vastgesteld dat de vader van eisers ook kwalificeert als hun juridische vader en daarmee dus ook niet of zij aan hem de Nederlandse nationaliteit hebben ontleend.
4. In de bezwaarprocedure hebben eisers een nieuwe versie van de gelegaliseerde huwelijksakte overlegd die door Bureau Documenten als mogelijk echt is gekwalificeerd. Verweerder heeft aangegeven dat het huwelijk en de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekkingen in Nederland nu worden erkend en daarmee ook dat de vader van eisers als hun juridische vader kwalificeert. Desondanks is verweerder bij het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Bij de aanvragen heeft de vader van eisers namelijk een aan hem toebehorende Irakese identiteitskaart overlegd die geldig is van 29 juli 2018 tot en met 28 juli 2028. Volgens verweerder betreft dit een sterke indicatie dat de vader van eisers de Irakese nationaliteit op enig moment vrijwillig heeft herkregen. Omdat onvoldoende duidelijk is wanneer de vader van eisers de Irakese nationaliteit heeft herkregen, kan niet worden vastgesteld of hij als gevolg daarvan de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. Gelet daarop kan evenmin worden vastgesteld of eisers aan hun vader de Nederlandse nationaliteit hebben ontleend.
Wat zijn de regels?
5. De relevante wet- en regelgeving zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vinden eisers in beroep?
6. Eisers kunnen zich niet verenigen met de afwijzing van hun aanvragen. Zo is het onduidelijk of de vader van eisers de Irakese nationaliteit überhaupt heeft herkregen. Mocht dit wel het geval zijn, stellen zij zich bovendien op het standpunt dat hij desondanks de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren. Hij voldoet immers aan twee van de drie uitzonderingscategorieën die daarvoor worden gesteld in artikel 15, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN). Zo heeft de vader van eisers voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaar in Irak zijn hoofdverblijf heeft gehad en is hij gehuwd met een persoon met de Irakese nationaliteit. Ter zitting hebben eisers gesteld dat de rechtbank hun eerdere beroep op de schending van de hoorplicht door verweerder als ingetrokken mag beschouwen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting bij de Paspoortwet blijkt dat de wetgever groot belang hecht aan het bevorderen van het behoud van het vertrouwen in de Nederlandse reisdocumenten in het internationale verkeer, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit. Het verstrekken van Nederlandse reisdocumenten aan personen van wie de nationaliteit niet boven alle twijfel verheven is, ondergraaft het vertrouwen in dergelijke reisdocumenten per definitie. Ingeval van twijfel ten aanzien van de nationaliteit van de aanvrager van een Nederlands reisdocument kan daarom niet tot verstrekking ervan worden overgegaan.
8. Tussen partijen is niet in geschil dat de nieuwe versie van de door de vader van eisers ingebrachte huwelijksakte door Bureau Documenten als mogelijk echt is bevonden en hij daarmee wordt gezien als de juridische vader van eisers. De rechtbank stelt verder vast dat eisers in het beroepschrift het standpunt hebben ingenomen dat hun vader de Irakese nationaliteit heeft herkregen. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld, vindt dit standpunt steun in de door eisers ingebrachte Irakese nationaliteitskaart waarop staat dat hij de Irakese nationaliteit heeft. Het door eisers ter zitting gewijzigde standpunt dat hun vader slechts een verblijfsrecht heeft in Irak en niet beschikt over de Irakese nationaliteit wordt niet gevolgd nu hierover onvoldoende duidelijkheid bestaat. Bovendien doet dit niet af aan het feit dat eiser beschikt over een Irakese nationaliteitskaart. De rechtbank zal dan ook uitgaan van het gegeven dat de vader van eisers de Irakese nationaliteit op enig moment heeft herkregen.
9. Op grond van artikel 15, eerste lid en onder a, van de RWN heeft het verkrijgen van een andere nationaliteit in beginsel het verlies van de Nederlandse nationaliteit tot gevolg. Artikel 15, tweede lid, van de RWN waarin hierop uitzonderingsbepalingen zijn opgenomen is pas op 1 april 2003 in werking getreden door de Wet tot wijziging van de RWN van 21 december 2000. Ingevolge artikel III van de RWN heeft artikel 15, tweede lid, van de RWN geen terugwerkende kracht tot en met het tijdstip waarop de RWN in werking is getreden (op 1 januari 1985). Tot 1 april 2003 had vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid, van de RWN dan ook zonder uitzondering het verlies van het Nederlanderschap tot gevolg.
10.1.
Ondanks hiertoe meerdere malen in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben eisers geen stukken gestuurd waaruit blijkt op welk moment hun vader de Irakese nationaliteit heeft herkregen. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld dat dit ná 1 april 2003 zou zijn gebeurd. De rechtbank overweegt dat gelet hierop niet kan worden beoordeeld of artikel 15, tweede lid, van de RWN in deze zaak wel van toepassing is. Verweerder kan dan ook slechts uitgaan van het algemene uitgangspunt dat de vader van eisers de Nederlandse nationaliteit door verkrijging van de Irakese nationaliteit heeft verloren. Vanuit dat uitgangspunt bezien kunnen eisers de Nederlandse nationaliteit niet hebben ontleend aan hun vader. Verweerder heeft de aanvragen van eisers voor een Nederlands paspoort dan ook terecht afgewezen.
10.2.
Nu niet kan worden vastgesteld of artikel 15, tweede lid, van de RWN
van toepassing is, wordt niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vraag of de vader van eisers een geslaagd beroep kan doen op één van de uitzonderingscategorieën die in dit lid worden genoemd. De door eisers aangevoerde gronden die daarop betrekking hebben, zullen dan ook niet worden besproken.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 1
1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder vader:
(...)
d. de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
(…)
Artikel 3
1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.
(…)
Artikel 15
1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
a. door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit;
(…)
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger:
a. die in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft;
b. die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofverblijf heeft gehad; of
c. die gehuwd is met een persoon die die andere nationaliteit bezit.
(…)
Op grond van artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001.
Op grond van artikel 10:31 en 10:32 van het Burgerlijk Wetboek.
Zie in dit verband artikel 15, tweede lid en onder b, van de RWN.
Zie in dit verband artikel 15, tweede lid en onder c, van de RWN.
Kamerstukken II 1987-88, 20 393 nr. 3.
Stb. 2000, 618.