Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:23468
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,990 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32532
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Inleiding
1. In het besluit van 2 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 8 augustus 2024 (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Verzoeker heeft tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend.
2. Op 19 augustus 2024 is aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 29 augustus 2024 zal worden overgedragen aan Bulgarije.
2.1.
Verzoeker heeft vervolgens om een voorlopige voorziening verzocht met het doel om niet op de geplande datum te worden overgedragen en de behandeling van zijn verzet in Nederland af te kunnen wachten.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend bij dit verzoek.
3. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling
Is er spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op het door verzoeker ingestelde verzet is nog niet beslist. Verweerder heeft bij kennisgeving van 19 augustus 2024 aan verzoeker meegedeeld dat hij op 29 augustus 2024 zal worden overgedragen aan Bulgarije. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening.
5. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Heeft het verzet een redelijke kans van slagen?
6. Nu verzoeker verzet heeft ingediend tegen de bestreden uitspraak, moet het verzoek om een voorlopige voorziening worden aangemerkt als een verzoek om een voorlopige voorziening hangende verzet. De voorzieningenrechter zal hierna dan ook beoordelen of het verzet een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij verzet uitsluitend de vraag speelt of de rechtbank terecht tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder de vreemdeling te horen op zitting. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een regulier beroep ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzet van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoeker verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin is geoordeeld dat verweerder – onder omstandigheden – een nadere onderzoeksplicht heeft voordat er tot overdracht van een vreemdeling wordt overgegaan. Het enkele feit dat er volgens verzoeker in dit kader divergerende rechtspraak is ontstaan over de uitleg en de gevolgen van het arrest X van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), maakt echter niet dat alleen daarom al twijfel ontstaat over de uitkomst van de eerdere uitspraak. De genoemde jurisprudentie laat immers onverlet dat de rechtbank in de eerdere uitspraak gemotiveerd heeft geoordeeld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De rechtbank heeft daarbij alle relevante door verzoeker aangedragen feiten en omstandigheden betrokken. Voorts geldt dat de hoogste bestuursrechter in relevante recente uitspraken steeds heeft overwogen dat ten opzichte van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden gegaan. Niet in geschil is dat de landeninformatie waar verzoeker naar verwijst, is beoordeeld in die zaken. Nu verzoeker zich niet op het standpunt heeft gesteld dat de algemene situatie in Bulgarije sindsdien is veranderd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat getwijfeld moet worden over het eerdere oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat het asiel- en opvangsysteem in Bulgarije dusdanige tekortkomingen vertoont dat verzoeker bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verzoeker heeft bij zijn verzet- en verzoekschrift geen nadere stukken ingediend die dit anders maken.
6.2.
Verder stelt verzoeker, gelet op de eerder genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, dat verweerder beter had moeten motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening. Ook hiervoor geldt dat het enkele feit dat de rechtbank in die zaak de motivering van verweerder onvoldoende vond, nog niet maakt dat daardoor getwijfeld dient te worden over de uitkomst van de eerdere uitspraak van deze rechtbank in de zaak van verzoeker. Ook in dit verband geldt dat de rechtbank alle door verzoeker aangedragen omstandigheden kenbaar heeft betrokken bij haar oordeel. Mede omdat een onderbouwing van de door eiser gestelde omstandigheden ontbreekt, is afgezien van een zitting en bestond redelijkerwijs geen twijfel over de uitkomst.
6.3.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en wat verzoeker heeft aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet waarschijnlijk is dat de rechtbank in verzet tot het oordeel zal komen dat in de eerdere uitspraak de zaak van verzoeker ten onrechte zonder zitting is afgedaan dan wel dat met hetgeen alsnog naar voren is gebracht gerede twijfel is ontstaan over de uitkomst daarvan.
Conclusie
7. Verzoeker heeft wel een spoedeisend belang bij zijn verzoek, maar zijn verzetschrift heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Dictum
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12713.
Zaaknummer: NL24.26876.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:83 vierde lid, van de Awb.
Artikel 8:55, zevende lid, onder 9, van de Awb in samenhang met artikel 8:55e van de Awb.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10838.
Arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.
Zie onder meer uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Handvest van de Gronderechten van de Europese Unie.