Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:23465
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,856 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30480
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , alias [alias] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 21 mei 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 29 juli 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
2. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld. Hierbij aanwezig was de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en stelt dat hij [naam] heet en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. Volgens eiser is hij ten onrechte veroordeeld voor een drugsgerelateerde strafzaak en loopt hij daarom het risico meerdere jaren de gevangenis in te moeten. Eiser is daarom gevlucht uit Algerije.
3.1.
Ter onderbouwing van het asielrelaas heeft eiser geen documenten overlegd.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst (eerste asielmotief); en
onterecht veroordeeld voor een drugsgerelateerde strafzaak (tweede asielmotief).
4.1.
Verweerder vindt de identiteit van eiser niet geloofwaardig, maar zijn nationaliteit en herkomst wel. Verweerder werpt eiser tegen dat hij ter onderbouwing van zijn identiteit onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Bovendien heeft eiser zich eerder in Duitsland gemeld onder andere identiteitsgegevens. Dat eiser onterecht is veroordeeld voor een drugsgerelateerde strafzaak vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat hij dit niet heeft kunnen onderbouwen met documenten en omdat hij hierover wisselend heeft verklaard. Dat eiser uit Algerije komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Volgens verweerder maken de geloofwaardig geachte motieven niet dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en is niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij uitzetting naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort gezegd – het volgende aan. Eiser heeft wel voldoende verklaard over zijn identiteit en problemen met zijn strafzaak in Algerije, waardoor deze asielmotieven wel geloofwaardig geacht hadden moeten worden. Verder is er sprake van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, nu eiser suïcidale gedachten heeft en daarnaast bij terugkeer het risico loopt onterecht in de gevangenis te belanden vanwege zijn strafzaak en voor het weigeren van zijn militaire dienstplicht. Tot slot vindt eiser dat het inreisverbod van twee jaar buitenproportioneel en onredelijk is en daarmee onterecht aan hem is opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
7. In artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is ter implementatie van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaald dat indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig worden geacht en de vreemdeling het voordeel van de twijfel wordt gegund, wanneer aan verschillende voorwaarden wordt voldaan.
7.1.
De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen documenten heeft overlegd om zijn asielrelaas te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas mee mogen wegen dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft, dat zijn verklaring geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat deze verklaringen in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De rechtbank ligt dit hieronder per asielmotief toe.
Eerste asielmotief
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de identiteit van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Bij dit standpunt heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser hierover geen documenten heeft overlegd en hiervoor geen goede verklaring had. Ook kon verweerder betrekken dat eiser zich in Duitsland onder andere identiteitsgegevens heeft aangemeld. De enkele stelling van eiser dat hij wel voldoende heeft verklaard over zijn naam en geboortedatum, zonder dit verder te onderbouwen, maken het voorgaande niet anders.
Tweede asielmotief
7.3.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de gestelde veroordeling voor een strafzaak niet geloofwaardig is. Verweerder heeft bij dit standpunt onder meer kunnen betrekken dat eiser hierover geen documenten heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft gegeven, en dat eiser in het nader gehoor wisselend heeft verklaard hierover. Het slechts verwijzen naar de al afgelegde verklaringen tijdens het nader gehoor – die verweerder al heeft betrokken bij de totstandkoming van het voornemen en het bestreden besluit – maakt niet dat dit asielmotief geloofwaardig moet worden geacht.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Algerije een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank zal daarom, gelet op de beroepsgronden van eiser, beoordelen of verweerder op goede gronden heeft overwogen dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
Reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM
9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije.
Onterecht veroordeeld voor een drugsgerelateerde strafzaak
9.1.
De door eiser gestelde onterechte veroordeling is, zoals hiervoor al is uiteengezet, ongeloofwaardig geacht. Verweerder was dan ook niet gehouden om te beoordelen of dit asielmotief maakt dat eiser om die reden bij terugkeer een risico op ernstige schade.
Suïcidale-uitingen
9.2.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de suïcidale-uitingen van eiser niet vallen onder de reikwijdte van ernstige schade bij terugkeer, nu sprake is van schade die hij zichzelf wil aanbrengen.
Vrees voor ernstige schade wegens niet vervullen dienstplicht
9.3.
Ook volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opgeroepen is of zal worden voor militaire dienstplicht, of dat hij te vrezen heeft voor ernstige schade wegens het niet vervullen van deze plicht. Allereerst is van belang dat eiser deze vrees niet tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht en daar zelfs expliciet heeft verklaard dat hij niet zal worden opgeroepen voor militaire dienst. Daarbij is deze vrees slechts gebaseerd op een vermoeden. Het standpunt van eiser dat Algerije geen mogelijkheid kent tot het weigeren van de militaire dienstplicht en dat het Algerijnse strafrecht het ontduiken of weigeren van de dienstplicht in vredestijd criminaliseert, maakt nog niet dat eiser daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij is opgeroepen of zal worden opgeroepen voor militaire dienstplicht.
Conclusie
11. Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen als ongegrond. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘Kort thematisch ambtsbericht dienstplicht Algerije november 2020’, geraadpleegd via: Kort thematisch ambtsbericht dienstplicht Algerije november 2020 | Ambtsbericht | Rijksoverheid.nl.
Artikel 31, zesde lid, onder b, c en e, van de Vw.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169.