Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:23454
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1026
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: S.J. Versteeg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor arbeid als zelfstandige.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 januari 2024 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en heeft aangegeven zich te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 23 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor het verrichten van arbeid als zelfstandige.
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker geen geldige mvv heeft overgelegd en er geen aanleiding is hem hiervan vrij te stellen.
Wat vindt verzoeker in de voorzieningenprocedure?
5. Verzoeker voert – kort gezegd – het volgende aan. Verzoeker heeft spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zonder de schorsende werking moet verzoeker Nederland verlaten, kan hij worden uitgezet en heeft hij niet de mogelijkheid zijn bezwaarprocedure hier af te wachten. Ook zal verzoeker bij vertrek financieel benadeeld worden, nu hij voor de heenreis – en in het geval van een gegrond bezwaar ook voor de terugreis – kosten moet maken. Voorts heeft het bezwaar redelijke kans van slagen. Verzoeker is van wezenlijk belang voor Nederland en de Nederlandse economie. Verder is het besluit onredelijk hard naar verzoeker toe en is het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
5.1.
Verzoeker verzoekt om zijn uitzetting en de plicht Nederland te verlaten op te schorten tot de uitspraak in de hoofdzaak. Ook verzoekt verweerder om een plaats, datum en tijdstip te bepalen waarop verzoeker kan worden gehoord en dat verweerder wordt veroordeeld voor de kosten van deze procedure en de ingeschakelde rechtsbijstand van zijn gemachtigde.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Als er sprake is van een spoedeisend belang, toets de voorzieningenrechter of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Voorts kan de voorzieningenrechter in haar oordeel betrekken of het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Ook dat kan een reden zijn om de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
8. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. In het bestreden besluit is als rechtsgevolg opgenomen dat verzoeker geen verblijfsrecht meer heeft en Nederland moet verlaten. Ook is opgenomen dat verzoeker het besluit op bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker heeft daarom de voorzieningenrechter gevraagd de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten, zodat hij de uitkomst van deze procedure in Nederland mag afwachten. Dat verweerder nog geen actieve vertrekprocedure heeft opgestart en dat er nog geen vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, maakt het voorgaande niet anders.
Kans van slagen van het bezwaar
9. Bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking kan komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft verweerder toepassing gegeven aan zijn beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), dat sinds 1 oktober 2022 geldt. Op grond van dat beleid kan verweerder een vreemdeling vanwege het Associatierecht EEG-Turkije van de mvv-plicht vrijstellen als aan de volgende vier cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:
- de vreemdeling of de hoofdpersoon valt onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol;
- de vreemdeling heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder mvv ingediend;
- de vreemdeling voldoet aan alle overige geldende voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning; en
- er is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is.
9.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is. Dat verzoeker onmisbaar is voor zijn onderneming en dat als hij teruggaat naar Turkije dit negatieve gevolgen zou hebben voor de onderneming, is onvoldoende onderbouwd. Nu het in het beleid gaat om vier cumulatieve voorwaarden, kan het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de vierde voorwaarde van het beleid, de conclusie van verweerder al dragen dat niet wordt voldaan aan alle voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb. Daarnaast heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste op grond van artikel 17 van de Vreemdelingenwet 2000 of dat bij het vasthouden aan het mvv-vereiste er voor hem sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard waardoor verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen.
9.2.
De gronden van verzoeker die zien op de toereikendheid van zijn ondernemingsplan en dat de onderneming van wezenlijk belang is voor de Nederlandse economie, raakt aan de voorwaarde dat de vreemdeling aan alle geldende voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning moet voldoen, zijnde de derde voorwaarde van het beleid van verweerder in paragraaf B1/4.1 van de Vc. Verweerder heeft in het bestreden besluit onbeoordeeld gelaten of verzoeker aan deze voorwaarde voldoet. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 9.1, mocht verweerder dit ook onbeoordeeld laten. Deze gronden treffen daarom dan ook geen doel.
9.3.
Gelet op voorgaande, overweegt de voorzieningenrechter dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft.
9.4.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Conclusie
10. Hoewel verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen en is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet worden opgeschort.
11. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Machtiging tot voorlopig verblijf.