Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:23451
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,946 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38081
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.L.K. Hu).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een mvv.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. De echtgenoot van mevrouw [referente] (referente) en de gemachtigden van eiser en verweerder hebben aan deze zitting deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 13 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij zijn zusje (referente).
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is er geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente en daarom geen familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft vervolgens een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt, die in het nadeel van eiser is uitgevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Er is sprake van familieleven tussen hem en referente. Verweerder had moeten beoordelen of er sprake is van meer dan de gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referente en niet of eiser zonder referente kan functioneren. Eiser heeft zijn medische situatie met voldoende bewijsstukken onderbouwd. Er is ook voldoende uitgelegd waarom referente als curator is aangesteld en waarom eiser een paspoort heeft aangevraagd. Daarnaast reist referente frequent af naar Irak om voor eiser te zorgen. Dat doet zij in ieder geval om de twee maanden. Verder heeft verweerder een onjuiste belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt en de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser in deze zaak geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
7. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, dient verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
7.1.
In deze zaak staat centraal de vraag of de medische situatie van eiser maakt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referente. Niet in geschil is dat eiser schizofreen is. Echter volgt uit dit gegeven nog niet hoe de schizofrenie zich bij eiser uit, welke zorg hij nodig heeft, of de zorg in Irak beschikbaar is, waar eiser wel en niet (meer) toe in staat is en of er ook andere personen dan referente zijn die voor eiser zouden kunnen zorgen. Ook de stukken met betrekking tot de toewijzing van referente als curator van eiser en de verklaring van de wijkmeester waarin wordt verklaard dat referente de zorg draagt over eiser, geven geen verder inzicht in het ziektebeeld van eiser. Daarmee is het gestelde ziektebeeld van eiser onvoldoende onderbouwd. Dat referente om de twee maanden naar Irak reist, maakt het voorgaande niet anders. Het beroep van eiser op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 3 augustus 2017 slaagt verder niet, nu deze uitspraak ziet op de relatie tussen kleinkinderen en hun grootouders. In die relatie geldt een ander toetsingskader, namelijk of er sprake is van hechte persoonlijke banden.
7.2.
Gelet op het voorgaande mocht verweerder ervan uit gaan dat de enkele omstandigheid dat eiser aan schizofrenie lijdt niet maakt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referente. Daarmee is er geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en had verweerder dan ook geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM hoeven maken.
Conclusie
8. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Daarmee is zijn beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Verdrag tot bescherming voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie onder meer uitspraak van het EHRM van 2 september 2022 (Azerkane t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2050.