Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:23449
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,787 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.36760 (beroep) en NL23.36761 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigden: mr. R. Poyraz en mr. Y. Özdemir),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.L.K. Hu).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een mvv en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de heer O. Akrawy (tolk) en de gemachtigden van eiser en verweerder.
Beoordeling
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 8 december 2020 een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij zijn vader [referent] (referent), moeder en zus.
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn vader, moeder en zus. Gelet daarop is er geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het gehoorverslag is geen correcte weergave van de hoorzitting, omdat de verklaringen over de (gezondheids)situatie van de ouders van eiser in een verkeerde context zijn geplaatst. Ook had verweerder het gehoorverslag voor op- en aanmerkingen moeten sturen naar eiser, wat hij heeft nagelaten. Verder zou verweerder bij het nemen van een afwijkende beslissing nadere stukken bij eiser opvragen. Dat is niet gebeurd. Tussen eiser en zijn moeder, vader en zus is er sprake van familieleven, omdat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Eiser heeft altijd met hen samengewoond en zij zijn vanwege de oorlog noodgedwongen van elkaar gescheiden. Inmiddels wonen zij weer samen. Verder is er een hechte band tussen eiser en zijn zus, omdat eiser voor haar zorgt. Eisers ouders zijn vanwege hun leeftijd en gezondheid niet in staat intensief voor hun dochter te zorgen en zijn zelf ook afhankelijk van de zorg van eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser in deze zaak geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Verslag hoorzitting
7. De rechtbank stelt voorop dat niet betwist wordt dat er bij de hoorzitting een beëindigde tolk aanwezig was en dat betrokkenen de tolk konden verstaan. De rechtbank volgt eisers standpunt niet dat de verklaringen tijdens het gehoor over hoe het met de ouders van eiser zou gaan in een verkeerde context zijn geplaatst. Eiser heeft weliswaar verklaard dat het goed zou gaan met zijn ouders, maar er is ook verklaard dat de moeder van eiser ten tijde van de hoorzitting nog gezondheidsklachten had, waaronder suikerziekte en een hoge bloedruk. Daardoor kan niet worden ingezien dat het verslag op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat de verklaringen niet in een juiste context zijn geplaatst. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was het verslag van de hoorzitting aan eiser toe te zenden voor eventuele op- of aanmerkingen. Dat volgt ook niet uit het verslag zelf. Datzelfde geldt voor eisers stelling dat als verweerder een afwijkende beslissing zou nemen, er nog nadere stukken bij eiser opgevraagd zouden worden. Daar komt bij dat het eiser en zijn gemachtigde vrij staat nadere stukken in te dienen totdat er op het bezwaar is beslist.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
8. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, dient verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
8.1.
Verweerder heeft, zoals uit het primaire besluit blijkt, in de belangenafweging betrokken dat eiser in het land van herkomst samen met zijn zus en ouders heeft gewoond, maar dat eiser ook voor een langere tijd gescheiden van zijn familieleden heeft geleefd. Weliswaar was het vertrek van eiser uit Syrië en daarmee de scheiding met zijn familie noodgedwongen, maar dit doet niet af aan de omstandigheid dat eiser tussen 2013 en 2018 zonder zijn familie in Denemarken heeft gewoond. Dat eiser nu weer met zijn ouders en zus samenwoont, is inherent aan het feit dat eiser momenteel in Nederland verblijft. Verder betwist verweerder niet dat de zus van eiser zorgbehoevend is en dat eiser helpt bij de verzorging van zijn zus. Zo gaat hij met haar wandelen en geeft hij haar eten. Echter volgt hieruit niet dat zijn zus vanwege haar medische klachten afhankelijk is van de hulp of zorg van eiser en zij zonder zijn aanwezigheid niet de verzorging kan krijgen die zij nodig heeft. Zo is niet gebleken dat eiser de enige is die voor zijn zus kan zorgen en dat er geen andere familieleden of derden zijn die niet voor haar kunnen zorgen. Temeer nu ook is gebleken dat de ouders van eiser ook zorgen voor hun dochter, die ben hen inwoont. Dat de moeder van eiser gezondheidsklachten heeft, maakt dit niet anders, omdat niet is gebleken dat zij vanwege die klachten niet voor haar dochter kan zorgen. Verder is niet onderbouwd dat de vader van eiser gezondheidsklachten zou hebben en dat ook hij om die reden niet in staat zou zijn voor zijn dochter te zorgen. Daarnaast blijkt uit wat door eiser is ingebracht en aangevoerd niet dat de moeder van eiser door haar medische klachten de zorg van eiser nodig heeft dan wel dat zij en haar man vanwege hun leeftijd zorgbehoevend zijn en om die reden van de zorg van eiser afhankelijk zijn.
8.2.
Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat verweerder meer onderzoek had moeten doen naar de vraag of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zoals onder punt 8.1 is overwogen, ligt het op de weg van eiser te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen dat en waarom er sprake is van familieleven. Verweerder heeft naar aanleiding van wat eiser heeft ingebracht en aangevoerd, beoordeeld of er sprake is van familieleven. Verweerder heeft in dat verband ook een hoorzitting gehouden. Niet wordt ingezien wat verweerder nog meer had kunnen of moeten doen.
8.3.
Gelet op het bovenstaande, mocht verweerder tot de conclusie komen dat tussen eiser en zijn vader, moeder en zus geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dat daarmee geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Conclusie
9. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
11. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaar het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
-
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie onder meer uitspraak van het EHRM van 2 september 2022 (Azerkane t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.3.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).