Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:23446
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,921 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 22/6415, SGR 22/6414, SGR 22/6233, SGR 22/6236, SGR 22/6234, SGR 23/5, SGR 23/2546 en SGR 23/2548
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaken tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: J. de Roon),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2012 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) (de navorderingsaanslagen) opgelegd. Daarbij zijn tevens vergrijpboeten opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen IB/PVV (de aanslagen) opgelegd. Daarbij is ook belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen, de aanslagen, de vergrijpboeten en de belastingrente verminderd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Vóór de zitting heeft eiseres een nader stuk ingediend en verweerder een pleitnota.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2024.
Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] Msc, mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is geboren in Engeland en sinds 1977 woonachtig in Nederland.
2. De vader van eiseres (vader) was woonachtig in Engeland en is op [datum] 2005 overleden. In het testament van vader staat, voor zover hier van belang:
“1.EXECUTORS
The executors and first trustees of my will shall be my wife (…) and my son (…).
(…)
4. NIL RATE BAND DISCRETIONARY TRUST
If my wife survives me by 30 days then and only then I GIVE to my executors such a sum as shall represent the remainder of the nil rate band for inheritance tax purposes available to my estate of my death (“the Trust Fund”) on the following trusts:-
4.1.
to apply the capital for the benefit of such of my wife children and grandchildren as my executors think fit
4.2.
to apply income for the benefit of such of my wife children and grandchildren as my executors think for or for not more than 21 years from my death to accumulate all or any part of it
4.3.
to terminate the trust forthwith 79 years from the date of my death
And in fulfilling such trusts I wish my executors to regard my wife as having the greatest claim on the Trust Fund during her lifetime without diminishing my executors absolute discretion (…)”.
3. Na het overlijden van vader is ingevolge het testament een trust (de trust) opgericht. De moeder van eiseres (moeder) en de broer van eiseres (broer) zijn als trustees aangewezen (de trustees). Eiseres heeft ingevolge het testament in 2005 £ 2.000 ontvangen.
4. In 2012 besloten de trustees een deel van het trustvermogen te gaan uitkeren aan eiseres en haar broer. Eiseres heeft zodoende de volgende uitkeringen ontvangen: £ 6.421 in 2012/2013; £ 3.735 in 2013/2014; £ 1.718 in 2014/2015; en £ 5.475 in 2016/2017. Over deze uitkeringen heeft eiseres in Engeland belasting betaald.
5. Moeder is op 5 februari 2015 overleden. De verdeling van de erfenis van moeder is op 4 mei 2016 afgewikkeld. Eiseres heeft uit de erfenis van moeder een bedrag ontvangen van £ 255.016,84 (€ 346.067). Dit bedrag is gestort in een beleggingsportefeuille bij [bedrijfsnaam] Ltd. (de beleggingsportefeuille). Eiseres heeft de beleggingsportefeuille niet in haar aangiften IB/PVV opgegeven.
6. Op 3 maart 2019 is de trust ontbonden. Eiseres heeft toen een bedrag ontvangen van £ 243.564 (€ 292.052) (de uitkering). Het trustvermogen en de uitkering heeft eiseres niet in haar aangiften IB/PVV opgegeven.
7. In de aangiften over de jaren 2012 tot en met 2017 heeft eiseres drie Engelse bankrekeningen en een Franse bankrekening vermeld, in de aangiften over 2018 en 2019 heeft zij drie Engelse bankrekeningen vermeld en in de aangiften 2012 tot en met 2015 is ook een tweede woning in Frankrijk vermeld.
8. De primitieve aanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2017 zijn overeenkomstig de ingediende aangiften opgelegd.
9. Naar aanleiding van een ontvangen renseignement op 21 juli 2018 van een rekening van eiseres bij [bedrijfsnaam] Ltd. heeft verweerder eiseres per brief van 13 juli 2020 verzocht een ‘Verklaring vermogen in het buitenland’ ingevuld terug te sturen. Eiseres heeft in deze verklaring, ondertekend op 30 juli 2020, kenbaar gemaakt begunstigde te zijn van de trust en te beschikken over de beleggingsportefeuille. Daarbij heeft zij ook het testament van de vader, de aangiften voor de Engelse inkomstenbelasting, overzichten van de beleggingsportefeuille en twee verklaringen van de broer overgelegd.
10. Verweerder heeft met dagtekening 2 februari 2021 een kennisgeving voor het opleggen van de navorderingsaanslagen en de aanslagen naar eiseres gestuurd. Verweerder gaf te kennen het vermogen van de trust op grond van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 deels aan eiseres te zullen toerekenen, te weten voor een derde voor de jaren 2012 tot en met 2015 en voor de helft voor de jaren 2016 tot en met 2019. Verder kondigde verweerder aan de beleggingsportefeuille in de heffing te betrekken voor de jaren 2016 tot en met 2019. Daarnaast zijn de vergrijpboeten voor de jaren 2012 tot en met 2017 aangekondigd.
11. Met dagtekeningen 3 mei 2021, 4 mei 2021, 12 mei 2021 en 28 augustus 2021 zijn de navorderingsaanslagen voor 2012 tot en met 2017 aan eiseres opgelegd. Voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 is daarin de grondslag voor het box 3-inkomen – voor zover nog in geschil – gecorrigeerd met € 292.052 (2012), € 298.562 (2013), € 291.828 (2014) en € 312.358 (2015). Voor 2016 is de grondslag voor het box 3-inkomen gecorrigeerd met € 676.593 en voor 2017 met € 615.055. Daarnaast zijn voor de jaren 2012 tot en met 2017 vergrijpboeten opgelegd van respectievelijk € 2.402, € 2.250, € 2.200, € 2.333, € 2.419 en 2.383 en is belastingrente in rekening gebracht van achtereenvolgens € 1.199, € 1.002, € 832, € 727, € 1.861 en € 1.378.
12. De aanslagen zijn aan eiseres opgelegd met dagtekening 18 mei 2021 en 22 mei 2021. In afwijking van de ingediende aangiften IB/PVV is voor het jaar 2018 een bedrag van € 604.238 als grondslag voor het box 3-inkomen in aanmerking genomen en voor 2019 een bedrag van € 548.429. Daarnaast is belastingrente in rekening gebracht van € 211 (2018) en € 362 (2019).
13. Bij uitspraken op bezwaar zijn de bezwaren deels gegrond verklaard. De vergrijpboeten voor de jaren 2012 tot en met 2017 zijn verminderd tot respectievelijk € 2.304, € 2.149, € 2.101, € 2.249, € 2.419 en € 2.383 en de in rekening gebrachte belastingrente is voor de jaren 2012 tot en met 2019 verminderd tot achtereenvolgens € 1.149, € 956, € 795, € 701, € 1.226, € 917, € 150 en € 245.
Geschil
15. Eiseres stelt primair dat het trustvermogen niet aan haar kan worden toegerekend. Zij was niet gerechtigd tot het vermogen en niet betrokken bij de trust. Nu zij geen rechten had of niet wist dat zij rechten had, kon zij ook geen vermogen aangeven. Zij had geen enkel inzicht in de hoogte van het vermogen, noch enige zeggenschap over de trust. De nalatenschap van vader was in de eerste plaats bedoeld voor het onderhoud van moeder. Toerekening van het trustvermogen aan haar is volgens eiseres in strijd met het doel van de wetgeving; het is de bedoeling om misbruik aan te pakken en niet om een erfgenaam die niets krijgt in de belastingheffing te betrekken. Subsidiair stelt eiseres dat toerekening moet plaatsvinden op basis van zes gerechtigden (eiseres, moeder, broer en drie kleinkinderen) voor de jaren 2012 tot en met 2015 en (na het overlijden van moeder) op basis van vijf gerechtigden voor de jaren 2016 tot en met 2019. Dat komt volgens eiseres neer op: voor 2012 € 97.350 (een zesde van € 584.104 (2 x € 292.052)); voor 2013 € 85.303; voor 2014 € 83.379; voor 2015 € 89.245; voor 2016 € 110.175; voor 2017 € 114.203; voor 2018 € 114.203. Volgens eiseres moet evenwel, als er vermogen aan haar moet worden toegerekend, ingevolge het zogenoemde Kerstarrest worden uitgegaan van het werkelijk behaalde rendement en dat is volgens haar nihil. Ten aanzien van de vergrijpboeten stelt eiseres dat deze ten onrechte aan haar zijn opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van de trust, noch van het feit dat zij deze trust in haar aangifte zou moeten opgeven.
16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de jaren 2012 tot en met 2015 een derde van de waarde van het trustvermogen aan eiseres toegerekend moet worden en voor de jaren 2016 tot en met 2019 de helft. Eiseres was zowel mede-erfgenaam als mede-begunstigde van het trustvermogen. Nu sprake is van in het buitenland opgekomen vermogen is ook terecht gebruikgemaakt van de verlengde navorderingstermijn, aldus verweerder. Volgens verweerder dient rechtsherstel eventueel alleen te worden geboden vanaf 2017 maar dat is niet aan de orde in het geval van eiseres nu zij een lager werkelijk rendement niet met stukken heeft onderbouwd. De vergrijpboeten zijn volgens verweerder terecht opgelegd.
Overwegingen
Het trustvermogen
17. Artikel 2.14a van de Wet IB 2001 luidt, voor zover van belang:
“1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, geacht bij degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te komen (toerekening). Na het overlijden van de persoon, bedoeld in de eerste volzin, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, toegerekend aan diens erfgenamen, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. (...)(...)4. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder een erfgenaam mede verstaan een persoon die is onterfd en die rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen of wiens partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen.”
18. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2010 geïntroduceerd en als volgt toegelicht:
“Vooral bij de heffing van inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting ontstaat bij gebruikmaking van afgezonderde particuliere vermogens een ongewenst heffingsvacuüm. Het bekendste voorbeeld van een afgezonderd particulier vermogen is de Anglo-Amerikaanse trust.
(...) De bezittingen en schulden maken niet langer deel uit van het vermogen van degene die de vermogensbestanddelen heeft afgezonderd. En zij behoren nog niet tot het vermogen van een of meer begunstigden. Dat is slechts anders in de situatie waarin een begunstigde een concreet juridisch afdwingbaar recht heeft. Maar daar ontbreekt het vaak aan: de begunstigden hebben verwachtingen met betrekking tot het afgezonderde vermogen maar kunnen (nog) niets afdwingen. De beheerder heeft op papier weliswaar vergaande discretionaire bevoegdheden, maar deze persoon is niet tot dat vermogen gerechtigd en wordt daarom niet in de belastingheffing betrokken. Zo creëert de inbrenger doelbewust een spagaatpositie: het geld is niet van hem en nog niet van de begunstigden, maar het is wel voor hen bedoeld, zo weet ook de beheerder.
(...)
Vijftien jaar na de totstandkoming van het Haags Trustverdrag blijkt het gebruik van de trust, maar ook van andere buitenlandse afgezonderde particuliere vermogens, om belastingheffing te ontgaan, groot te zijn. Het belangrijkste motief is in veel gevallen het ontgaan van belastingheffing in het woonland van de inbrenger en van de begunstigden. (...)
Met de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde regeling voor afgezonderde particuliere vermogens wordt beoogd de Belastingdienst toereikende middelen te geven om de constructies in de uitvoeringssfeer effectief te bestrijden. (...)
5.2
Nieuwe wetssystematiek
Om aan het geschetste heffingsvacuüm een einde te maken, wordt een robuuste wettelijke basis voorgesteld om inkomstenbelasting en schenk- of erfbelasting te kunnen heffen wanneer er sprake is van een afgezonderd particulier vermogen. Vermogensbestanddelen die in een afgezonderd particulier vermogen worden ingebracht, aangehouden en uitgekeerd, krijgen eenzelfde fiscale behandeling als vermogensbestanddelen die niet op zodanige wijze zijn afgezonderd.
(...)
Bij overlijden van de inbrenger wordt het afgezonderd particulier vermogen geacht tot zijn nalatenschap te behoren. De erfgenamen krijgen volgens het voorstel op dat moment hun deel van het afgezonderd particulier vermogen fictief krachtens erfrecht van de erflater. De toerekening per erfgenaam geschiedt in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. De regels van de erfbelasting zijn van toepassing.”
19. In geschil is allereerst of (een deel van) het trustvermogen aan eiseres kan worden toegerekend op grond van artikel 2.14a van de Wet IB 2001. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de trust, opgericht bij overlijden van vader, kwalificeert als een afgezonderd particulier vermogen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een van de erfgenamen was van vader en een van de begunstigden van de trust. Naar het oordeel van de rechtbank is het trustvermogen op grond van de wettekst en naar de bedoeling van de wetgever, mede gelet op het robuuste karakter van de bepaling, terecht voor een deel aan eiseres toegerekend. Dat eiseres geen weet had van deze regeling dan wel dat deze werd ingevoerd en ook de ‘ins en outs’ van de (inrichting van de) trust niet kende, doet daaraan niet af. Toepassing van het overgangsregime op grond waarvan eiseres zich tot de inspecteur had kunnen wenden voor een vaststellingsovereenkomst, had in het geval van eiseres voor de hand gelegen. Daarop is evenwel geen beroep gedaan, noch is verweerder eiseres daarin op een later moment tegemoetgekomen. De primaire stelling van eiseres faalt daarom.
20. De volgende vraag die dan moet worden beantwoord is voor welk deel het trustvermogen aan eiseres moet worden toegerekend. De bewijslast voor de heffing, waaronder de toerekening, rust in beginsel op verweerder. Verweerder is uitgegaan van toerekening aan drie personen voor 2012 tot en met 2015 (moeder, broer en eiseres) en aan twee personen voor 2016 tot en met 2019 (broer en eiseres) en verwijst in dit kader naar het testament. De rechtbank kan uit het testament evenwel niet afleiden dat enkel eiseres, haar moeder en broer de erfgenamen waren van vader. In het testament staat immers dat het vermogen ten goede kan komen aan moeder en aan vaders kinderen én kleinkinderen. Verweerder heeft hier ter zitting desgevraagd ook niet meer duidelijkheid over kunnen geven, anders dan dat de door hem toegepaste toerekening zou overeenkomen met het Nederlandse erfrecht maar dat zegt nog niets over het toepasselijke Engelse erfrecht. Bovendien dient het vermogen op grond van de wettekst te worden toegerekend aan de erfgenamen, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. Terwijl vader in het testament de wens heeft uitgesproken dat de trustees zijn vrouw (moeder) beschouwen als degene met de grootste aanspraak op het trustvermogen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verweerder niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast en volgt zij daarom eiseres in haar subsidiaire stelling dat voor de toerekening moet worden uitgegaan van zes, dan wel vijf (na het overlijden van moeder) erfgenamen/begunstigden van de trust.
21. Voor de hoogte van het aanwezige trustvermogen heeft verweerder zich gebaseerd op de uitkering die eiseres in 2019 heeft ontvangen in het kader van de ontbinding van de trust, te weten £ 243.564. Hij heeft in dit kader aangevoerd dat een zuivere toerekening niet mogelijk was bij gebrek aan vermogensoverzichten van de trust. De bewijslast dat van een ander bedrag moet worden uitgegaan, rust op eiseres. Zij is de meest gerede partij om hierover nadere informatie te verschaffen. Eiseres heeft evenwel, ondanks diverse verzoeken daartoe, geen vermogensoverzichten van de trust overgelegd, noch inzicht gegeven in de verdeling bij ontbinding van de trust. De blote stelling van eiseres dat het in 2019 door haar ontvangen bedrag moet worden vermenigvuldigd met twee (omdat het trustvermogen alleen tussen eiseres en haar broer zou zijn verdeeld) en vervolgens gedeeld door het aantal gerechtigden, volgt de rechtbank dan ook niet. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom mogen uitgaan van het bekende vermogen dat bij de ontbinding aan eiseres is uitgekeerd. Dit betekent dat de (navorderings)aanslagen in stand blijven zoals verminderd bij de uitspraken op bezwaar, nu daarin is uitgegaan van het bedrag van de uitkering (£ 243.564).
Verlengde navorderingstermijn
22.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond voor zover het de boetebeschikkingen betreft;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze de vergrijpboetes betreffen;
- vernietigt de boeteschikkingen;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.625;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 150 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, voorzitter, mr. K.G. Scholten en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. A.C. van Essen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
de griffier is verhinderd te ondertekenen
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Kamerstukken II, 31 930, 2008-2009, nr. 3 (MvT), p. 9-10.
Overwegingen
Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vervalt de navorderingstermijn na twaalf jaar [na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan] als te weinig belasting is geheven over een buitenlands inkomensbestanddeel. Nu het gaat om Engels trustvermogen, is sprake van een buitenlands inkomensbestanddeel en is de verlengde navorderingstermijn van toepassing. De navorderingsaanslagen zijn dus allemaal binnen de van toepassing zijnde navorderingstermijn opgelegd.
Vergrijpboeten
23. Aan eiseres zijn op de voet van artikel 67e, eerste en zesde lid, van de AWR voor de belastingjaren 2012 tot en met 2017 vergrijpboeten opgelegd van 60% van de nagevorderde belasting, omdat – naar verweerder stelt – sprake is van grofschuldig handelen. Blijkens de kennisgeving zijn de boeten voor de jaren 2012 tot en met 2015 opgelegd over de nagevorderde belasting inzake het trustvermogen en is daarbij per abuis, zoals verweerder in zijn pleitnota heeft aangevoerd, als grondslag het bedrag van de beleggingsportefeuille in aanmerking genomen (in plaats van dat van de uitkering). Voor de boeten voor de jaren 2016 en 2017 geldt hetzelfde en heeft verweerder zich daarnaast op het standpunt gesteld dat deze boeten te laag zijn omdat zowel over de nagevorderde belasting inzake de beleggingsportefeuille had moeten worden beboet als over de uitkering. Voor wat betreft de abusievelijk gehanteerde boetegrondslag heeft verweerder zich in de pleitnota op interne compensatie beroepen en ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat bij de verminderingen na de uitspraken op bezwaar wél van de juiste grondslagen is uitgegaan.
24. In het arrest van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd de waarborgen in acht dienen te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust om de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel te gunnen. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf komt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.
25. Voor de vergrijpboeten over de jaren 2012 tot en met 2015 is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in zijn bewijslast is geslaagd. Verweerder stelt dat eiseres ten tijde van het doen van aangifte op de hoogte was van het bestaan van de trust waar zij begunstigde van was. Hij wijst daarvoor op de uitkeringen die eiseres vanaf 2012 heeft ontvangen en stelt dat zij reeds in 2005 op de hoogte was van de inhoud van het testament. Ook wijst verweerder op het door eiseres ingevulde formulier “Verklaring vermogen in het buitenland”. Hieruit volgt volgens verweerder dat eiseres op de hoogte was van haar betrokkenheid bij de trust. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank nog niet doen blijken dat eiseres er ook van doordrongen was dat haar aangiften een fout bevatten door haar aandeel in de trust niet te vermelden. Eiseres heeft steeds gemotiveerd aangevoerd dat zij niet wist dat de wijze waarop vader de nalatenschap had geregeld voor haar hier te lande tot enige belastbaarheid leidde (anders dan de kleine bedragen die zij daadwerkelijk ontving). Dat zij in haar aangiften een vakje had moeten aanvinken om haar betrokkenheid bij de trust kenbaar te maken, was voor haar dan ook niet bekend. Dat zij in juli 2020 middels de hierboven genoemde verklaring wél melding maakte van de trust, kan naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs opleveren voor de bewustheid die eiseres bij het doen van de aangiften moet hebben gehad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat eiseres zich ervan bewust was dat zij het trustvermogen moest opgegeven in haar aangiften. De vergrijpboeten voor de jaren 2012 tot en met 2015 dienen dan ook te worden vernietigd.
26. Voor wat betreft de vergrijpboeten voor de jaren 2016 en 2017 heeft hetzelfde te gelden nu voor die jaren alleen het niet-aangeven van de uitkering is beboet en niet ook het niet-aangeven van de beleggingsportefeuille.
Box 3-inkomen
27. De Hoge Raad heeft in het Kerstarrest geoordeeld dat de forfaitaire rendementsheffing zoals deze geldt met ingang van 2017 een relatieve ongelijke behandeling creëert op basis van een omstandigheid die betrokkenen niet zelf in de hand hebben. Voorts oordeelde de Hoge Raad dat – ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt – in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Voor dit stelsel is dus geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. De Hoge Raad heeft voorts aanleiding gezien om belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van haar fundamentele rechten. Deze rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De Hoge Raad heeft dat rechtsherstel geboden door te bepalen dat alleen het werkelijk rendement in de heffing wordt betrokken.
28. De wijze waarop rekening wordt gehouden met het Kerstarrest in de vorm van verminderingen van aanslagen is neergelegd in de Wet rechtsherstel box 3. Deze wet leidt in het onderhavige geval niet tot een vermindering van de (navorderings)aanslagen, aangezien het box 3-inkomen met toepassing van deze wet voor de jaren 2017, 2018 en 2019 zou worden vastgesteld op respectievelijk € 34.244, € 33.636 en € 34.689, terwijl de (navorderings)aanslagen zijn vastgesteld naar bedragen van respectievelijk € 31.454, € 29.386 en € 29.784.
29. Dit roept de vraag op of ook aan eiseres in afwijking van de Wet rechtsherstel box 3 compensatie moet worden geboden. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Eiseres heeft niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat het werkelijk rendement lager is dan het in de (navorderings)aanslagen in aanmerking genomen rendement nu zij die stelling verder niet cijfermatig en met documenten heeft onderbouwd.
30. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard voor zover het de boeten betreft.
Proceskostenvergoeding
31. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt de kostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.625 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en factor 1,5 omdat sprake is van vier of meer samenhangende zaken).