Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:23434
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,595 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8186
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] V.O.F., uit [vestigingsplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en
de burgemeester van Den Haag, de burgemeester
(gemachtigde: R. den Ouden ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de sluiting van haar horeca-inrichting.
1.1.
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 heeft de burgemeester [verzoekster] aan de [adres] in [plaats] voor de duur van een maand gesloten voor bezoekers. De sluiting eindigt op 10 november 2024 om 15:00 uur. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster, haar gemachtigde, [naam 1] (vennoot) en zijn zoon [naam 2] (bedrijfsleider) en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat deze zaak over?
3.1.
[naam 1] en [naam 3] exploiteren [verzoekster]. In de nacht van
23 september 2023, om ongeveer 2:40 uur, heeft er een explosie plaatsgevonden bij het eethuis. Op een raam van het eethuis is een explosief geplakt dat tot ontploffing is gebracht. De explosie heeft het raam uit het kozijn geblazen. Er lagen grote stukken glas op de stoep. In het eethuis is rook- en brandschade ontstaan. Een aantal bezorgscooters die voor het eethuis geparkeerd stonden zijn beschadigd. [naam 1] en [naam 3] hebben aangifte gedaan van brandstichting en/of vernieling. Zij hebben besloten het eethuis twee weken gesloten te houden voor bezoekers in afwachting van het politieonderzoek en verdere besluitvorming. Op 3 oktober 2024 heeft de burgemeester verzoekster op de hoogte gebracht van het voornemen om het eethuis voor drie maanden te sluiten en [naam 3] en [naam 1] in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op de voorgenomen sluiting. Er is afgesproken dat het eethuis zolang gesloten wordt gehouden voor bezoekers.
3.2.
Gelet op de aard en de ernst van dit geweldsincident heeft verweerder aanleiding gezien om over te gaan tot sluiting van het eethuis voor de duur van een maand voor bezoekers. De burgemeester heeft een kortere sluitingsduur gehanteerd dan de gebruikelijke drie maanden, omdat sinds het geweldsincident bijna drie weken zijn verstreken en zich geen nieuwe geweldsincidenten hebben voorgedaan. Ook heeft de burgemeester mee laten wegen dat er niet veel onrust lijkt te zijn in de directe omgeving van het eethuis, nu uit gesprekken die de wijkagent heeft gevoerd met bewoners en ondernemers niet blijkt dat zij zich onveilig voelen.
Wat vindt verzoekster van de tijdelijke sluiting?
4.1.
Verzoekster is het niet eens met de sluiting. Zij wijst erop dat zij na de explosie heeft meegewerkt aan de vrijwillige sluiting van het eethuis voor de duur van drie weken en dat zich tijdens die periode niet een herhaling van het geweldsincident heeft plaatsgevonden. De burgemeester heeft volgens verzoekster niet onderbouwd dat er voor herhaling valt te vrezen. Anders dan stellen dat er nog geen verdachte is aangehouden en ook nog niet duidelijk is wat het motief is achter de explosie heeft de burgemeester niet gedaan.
4.2.
Verzoekster voert aan dat van haar vennoten en hun familieleden geen relevante antecedenten bekend zijn en er geen aanwijzingen zijn dat zij banden hebben met het criminele milieu. Het eethuis heeft nooit voor overlast gezorgd. Er zijn geen aanwijzingen dat het geweldsincident in directe relatie staat met het eethuis. Het gaat om een eenmalig incident. Het dient in het voordeel van verzoekster te werken dat uit het buurtonderzoek dat de wijkagent heeft gedaan volgt dat er geen gevoelens van angst heersen bij de buurtbewoners rondom het eethuis.
4.3.
Verder stelt zij dat het sluiten van de horeca-inrichting voor een periode van een maand onevenredige gevolgen heeft, zoals het verlies aan een bron van inkomen met alle gevolgen van dien. De burgemeester moet er in dit licht rekening mee houden dat het eethuis al voor een periode van drie weken gesloten is geweest. Er zijn drie gezinnen afhankelijk van de inkomsten uit de onderneming. Ook zullen de (vaste) klanten, waaronder ook bedrijven, die in de periode van sluiting geen eten kunnen bestellen, overstappen naar andere restaurants. Dit zal op de lange termijn een forse inkomstenderving opleveren.
Wat vindt de burgemeester van het verzoek?
5. De burgemeester heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij blijft bij wat in het bestreden besluit staat.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is de burgemeester bevoegd de horeca-inrichting te sluiten?
6.1.
Het is vaste rechtspraak dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de ondernemer geen rol speelt bij de vraag of zich een situatie voordoet die aanleiding vormt voor sluiting van de horeca-inrichting. Alleen aan de orde is de vaststelling of sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde die in directe relatie staat met de aanwezigheid dan wel met de exploitatie van de inrichting.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het geweldsincident een ernstig geweldsincident is. De burgemeester heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht een directe relatie aannemelijk geacht tussen het incident en het eethuis. Dat het om een willekeurige vernieling gaat, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Uit de camerabeelden valt op te maken dat het eethuis doelwit was van de explosie. Het explosief is aan het raam van het eethuis bevestigd en tot ontploffing gebracht. Verweerder was dan ook bevoegd om handhavend op te treden.
6.3.
De vraag is vervolgens of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Is de sluiting noodzakelijk?
6.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op de aard en ernst van het geweldsincident, de noodzaak voor de sluiting gegeven. Dit soort incidenten heeft een grote invloed op het veiligheidsgevoel van omwonenden en vormen een grove aantasting van de rechtsorde. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat (nog) onduidelijk is wat de aanleiding voor het incident is geweest. Verder is er nog te weinig tijd verstreken na het incident om sluiting niet meer noodzakelijk te achten enkel omdat er geen incidenten meer hebben plaatsgevonden. Daarbij is niet onbelangrijk dat de politie de kans op herhaling (nog) niet kan uitsluiten.
Is de sluiting evenwichtig?
6.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester het algemeen belang van bescherming van de openbare orde en de veiligheid van bezoekers, personeel en passanten zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van verzoekster. Sluiting van het eethuis voor de duur van een maand vindt de voorzieningenrechter niet onevenwichtig, ook gezien het beleid van de burgemeester waarbij als uitgangspunt geldt dat dat een horeca-
inrichting wordt gesloten voor de duur van drie maanden als het geweldsincident in directe relatie staat tot de horeca-inrichting.
6.6.
De voorzieningenrechter begrijpt dat sluiting van het eethuis voelt alsof verzoekster wordt gestraft. De sluiting van de horeca-inrichting heeft echter tot doel de verstoring van de openbare orde te beëindigen en de kans op herhaling te verkleinen en is er dan ook niet op gericht om leed toe te voegen.
6.7
Verder is niet gebleken dat de financiële en overige belangen van verzoekster zo groot zijn dat de sluiting om die reden bij wijze van voorlopige voorziening zou moeten worden geschorst. Hierbij speelt mee dat het bezwaar van verzoekster naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter waarschijnlijk niet zal leiden tot een ander besluit.
6.8.
Op zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester duidelijk gemaakt dat als de situatie blijft zoals hij nu is de burgemeester niet zal overgaan tot verlenging van de sluitingsduur.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het eethuis vooralsnog gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 174, eerste en derde lid, van de Gemeentewet, artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a en f, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV).
Van 23 september 2024 tot 7 oktober 2024.