Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:23431
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,625 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3316
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. F. van Hal),
en
de burgemeester van Hillegom, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woonstichting Stek, gevestigd Lisse (hierna: Stek)
(gemachtigde: mr. P.J. Remmelts).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de sluiting van haar woning aan de [adres] in [plaats] .
1.1.
Bij besluit van 24 april 2024 heeft verweerder besloten over te gaan tot sluiting van de woning met ingang van 16 mei 2024 voor de duur van zes maanden.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Verweerder heeft de begunstigingstermijn opgeschort tot de dag waarop de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
1.4.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder, en de gemachtigde van Stek en [naam 1] .
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekster woont samen met [naam 2] in de woning. Zij huren deze woning van Stek. Op 1 februari 2024 heeft de politie een doorzoeking gedaan in de woning. De doorzoeking vond plaats naar aanleiding van een opsporingsonderzoek naar de handel in verdovende middelen. Bij de doorzoeking heeft de politie een handelshoeveelheid hard- en softdrugs aangetroffen, evenals goederen die te relateren zijn aan de handel in verdovende middelen, zoals (een groot bedrag aan) contant geld, wapens, weegschalen, verpakkingsmateriaal, vermalers voor hennep en versnijdingsmiddel. Verder heeft de politie agenda’s aangetroffen met notities over afnemers en bedragen. De politie heeft van haar bevindingen in de woning een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Daarin heeft de politie ook opgenomen dat zij meldingen via Meld Misdaad Anoniem heeft ontvangen over aanloop van afnemers van verdovende middelen en dat zij enkele observaties heeft gedaan van de overgifte aan de voordeur en rond de woning. Verweerder heeft naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage besloten om de woning met ingang van 16 mei 2024 te sluiten voor de duur van zes maanden.
Wat vindt verzoekster?
4.1.
Verzoekster stelt dat de sluiting van de woning in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat zij op dit moment geen inkomsten heeft. Vanwege lichamelijke klachten kan zij niet werken en evenmin een uitkering krijgen. Ze is financieel volledig afhankelijk van haar partner. Daarnaast bevindt zij zich in een zorgelijke psychosociale situatie. Zij verwijst naar het reclasseringsadvies van 19 april 2024 waarin is opgenomen dat zij kwetsbaar is, moeilijk met stress kan omgaan en moeite heeft met het oplossen van (inter)persoonlijke problemen. Verder blijkt daaruit dat de kans op delictgedrag toeneemt als verzoekster niet in de woning kan blijven omdat zij onvoldoende handvatten heeft om met de problemen om te gaan.
4.2.
Verzoekster kan tijdens de sluiting niet bij haar oudste zoon verblijven vanwege zijn licht verstandelijke beperking en autisme. Zij kan ook niet bij haar jongste zoon verblijven omdat zij dan haar drie (schrikachtige en angstige) honden niet mee kan nemen.
4.3.
Verzoekster past vijf dagen in de week op haar kleinkind. Verzoeksters kleinkind heeft een taalontwikkelingsstoornis, autisme, dyslexie en ADHD. Hij kan na school alleen worden opgevangen door verzoekster. Zijn ouders moeten werken om hun schulden af te kunnen betalen. Met de omstandigheid dat een minderjarig kind in huis verblijft, is volgens verzoekster ten onrechte geen rekening gehouden. De aanwezigheid van een minderjarig kind in de woning, in combinatie met de penibele financiële en medische situatie, maakt dat verweerder een verdergaande verantwoordelijkheid heeft bij het zorgen voor vervangende woonruimte. Dat klemt volgens verzoekster temeer omdat zonder de woningsluiting het algemene belang juist beter is gediend, nu het openhouden van de woning delictgedrag van verzoekster hoogstwaarschijnlijk voorkomt.
Wat vindt verweerder van het verzoek?
5. Verweerder heeft een schriftelijke reactie gegeven op het verzoek. Hij blijft bij zijn besluit. Hij onderkent dat verzoekster zich in een kwetsbare positie bevindt, maar vindt dat aan haar op allerlei fronten hulp wordt geboden. Dat zij de hulp bij het vinden van vervangende woonruimte niet accepteert, maakt niet dat het besluit tot sluiting van de woning geen stand kan houden omdat de gevolgen onevenredig zouden zijn. Er is sprake van een ernstige verstoring van de openbare orde en geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat handelen overeenkomstig de Beleidsregels onevenredig is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning terecht voor zes maanden wordt gesloten. Het verzoek moet volgens hem dan ook worden afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder bevoegd is de woning te sluiten en dat de sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Verzoekster stelt dat de woningsluiting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In de kern voert zij aan dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de sluiting van de woning in dit geval niet gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of sluiting van de woning evenwichtig is.
Is sluiting van de woning evenwichtig?
6.2.
Verweerder moet bij het nemen van een besluit tot sluiting van een pand nagaan of de sluiting evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
6.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan het sluiten van de woning inherent is dat verzoekster tijdelijk de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid om van sluiting af te zien. Daarbij komt dat verzoekster een verwijt kan worden gemaakt van de aanwezigheid van drugs in haar woning. Er is in dit geval geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Evenmin betwist verzoekster dat sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde, nu de woning een rol vervult in de drugsketen en aannemelijk is uit meldingen en waarnemingen van de politie dat afnemers van drugs naar de woning komen. Voorts geldt dat hoewel duidelijk is dat verzoekster een kwetsbaar persoon is, uit het rapport van de reclassering en wat zij verder heeft aangevoerd niet volgt dat verzoekster een zodanig bijzondere binding met de woning heeft dat verweerder van sluiting had moeten afzien. Verweerder heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat verzoekster op meerdere vlakken hulp wordt aangeboden. Zij krijgt praktische begeleiding van Raamwerk en staat onder behandeling bij Brijder. Aan de instantie Voorieder1 is gevraagd verzoekster te ondersteunen bij haar aanvraag om een bijstandsuitkering. Niet gebleken is dat deze hulp niet kan worden voortgezet als verzoekster tijdelijk op een ander adres woont. Dat verzoekster op een aangepast matras slaapt vanwege artrose en een hernia, maakt ook niet dat gezegd kan worden dat sprake is een bijzondere binding. Verzoekster kan het matras immers meenemen.
6.4.
Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het vinden van vervangende woonruimte. Als verzoekster geen onderdak kan vinden bij familie of vrienden, kan zij terecht bij Stichting de Binnenvest. Verzoekster wil hier geen gebruik van maken omdat zij haar honden niet mag meenemen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de honden belangrijk voor verzoekster zijn, maar is van oordeel dat van haar verwacht mag worden dat zij het aanbod van vervangende woonruimte aangrijpt om te voorkomen dat zij op straat komt te staan. De omstandigheid dat de honden ergens anders moeten worden ondergebracht, vormt op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. De opvang van de honden behoort tot verzoeksters verantwoordelijkheid.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning gesloten mag worden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.