Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:23423
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,215 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8550
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2024 in de zaak tussen
de vennootschap naar buitenlands recht [verzoekster], uit [vestigingsplaats] (Malta), verzoekster
(gemachtigde: mr. P.M. Waszink en mr. R. van Neck),
en
de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Hollemans, mr. L.M. Greben en mr. drs. G.J. Wildemors).
Inleiding
1.1.
Bij besluit van 12 december 2023 (het boetebesluit) heeft verweerder aan verzoekster een bestuurlijke boete van € 19.679.000,- opgelegd wegens overtreding van de Wet op de kansspelen (Wok).
1.2.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2024 op zitting behandeld, gezamenlijk met het verzoek met zaaknummer SGR 23/8554, inzake het besluit van verweerder tot openbaarmaking van het boetebesluit. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
1.5.
Verzoekster en verweerder hebben zich op zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Aan verzoekster is een boete opgelegd van € 19.679.000,- omdat zij gelegenheid heeft gegeven tot deelname aan kansspelen zonder dat zij de daarvoor benodigde vergunning heeft. Conform de Boetebeleidsregels 2021 bestaat de boete uit een basisboete plus een verhoging vanwege boeteverhogende omstandigheden. Verzoekster betwist het boetebesluit en heeft in haar verzoek om een voorlopige voorziening gevraagd het besluit te schorsen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij deze procedure?
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
3.1.
Verzoekster stelt ter onderbouwing van het spoedeisend belang dat het boetebesluit aanzienlijke financiële gevolgen voor haar zal hebben. Betaling van het boetebedrag zal leiden tot acute betalingsproblemen. Zij zal haar operationele activiteiten sterk moeten terug schalen en een gedeelte van haar medewerkers moeten ontslaan. Een uiteindelijk faillissement zal onafwendbaar zijn volgens verzoekster.
3.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De door verzoekster aangedragen belangen zijn financieel van aard. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie of als de continuïteit van de betrokken onderneming wordt bedreigd. Dat is in het geval van verzoekster niet aannemelijk geworden. De financiële stukken die uiteindelijk zijn ingediend door verzoekster geven onvoldoende inzicht in haar huidige financiële situatie. Daarbij komt dat het voor de voorzieningenrechter onduidelijk is hoe de bedrijfsstructuur van verzoekster er precies uit ziet, zodat de gegevens die zijn overgelegd ook in dat verband geen compleet beeld geven. Ten slotte is hierbij van belang dat verzoekster bij verweerder om een betalingsregeling kan vragen als daartoe aanleiding bestaat.
Is het besluit evident onrechtmatig?
4. De door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening kan ondanks het ontbreken van een spoedeisend belang, toch worden getroffen, als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht ernstig moet worden betwijfeld, of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter geeft hierover een voorlopig oordeel. In een eventuele bodemprocedure hoeft de rechtbank dit oordeel niet te volgen.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een evidente onrechtmatigheid geen sprake is. De Wok verbiedt namelijk om zonder vergunning gelegenheid te geven aan consumenten in Nederland om deel te nemen aan kansspelen. Uit het boeterapport volgt dat verweerder op verschillende websites van verzoekster een account met Nederlandse adresgegevens kon aanmaken, daarop kon inloggen, een storting kon doen en met een Nederlands IP-adres kon deelnemen aan de kansspelen. Er waren geen technische maatregelen genomen om deelnemers vanuit Nederland de toegang tot de kansspelen te beletten. Ook waren er geen zichtbare maatregelen getroffen om deelname door minderjarigen onmogelijk te maken. Gelet op deze omstandigheden die onderbouwd worden in het door verweerder opgemaakte boeterapport, kan dan ook niet worden geoordeeld dat evident is dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Wok meermaals en gedurende een aanzienlijke periode is overtreden. Hierbij is verder van belang dat de mate waarin verzoekster haar activiteiten op de Nederlandse markt richt volgens vaste jurisprudentie niet maatgevend is. Het gaat er om dat met websites waarvoor verzoekster verantwoordelijk was, gelegenheid is geboden om vanuit Nederland deel te nemen aan kansspelen.
4.2.
Het feit dat naast deze boete een last onder dwangsom is opgelegd en tot invordering van verbeurde dwangsommen is overgegaan, waartegen eveneens een procedure loopt, maakt het bestreden besluit evenmin evident onrechtmatig. Hierbij is van belang dat geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van meerdere handhavingsinstrumenten naast elkaar. Bovendien ziet de opgelegde boete op meer en ook andere overtredingen dan die ten grondslag liggen aan de last onder dwangsom en is niet aannemelijk gemaakt dat de bezwaren die in die procedure aan de orde zijn op dezelfde wijze een rol spelen bij de vaststelling van de overige overtredingen.
4.3.
Verder ziet de voorzieningenrechter in de bezwaren tegen de hoogte van de opgelegde boete geen reden om tot een ander oordeel te komen. De discussie hierover kan door partijen in de bezwaarfase worden gevoerd en de hoogte van de boete kan naar aanleiding daarvan nog worden aangepast. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoekster nog voor het boetebesluit in de gelegenheid is gesteld om gegevens aan te leveren die aannemelijk maken dat de omzetberekening die verweerder hanteert bij het bepalen van de hoogte van de boete, tot een uitkomst leidt die niet in verhouding staat tot de werkelijke omzet van verzoekster. Zij heeft er vervolgens zelf voor gekozen om daar niet op in te gaan en verweerder geen inzicht te geven in haar financiële gegevens.
4.4.
Ook de overige (procedurele) bezwaren van verzoekster maken het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet evident onrechtmatig.
Conclusie
5. Nu geen sprake is van een spoedeisend belang en er ook geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 35a van de Wok.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wok.