Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:23422
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/95
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.M. Eijgenhuijsen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).
Inleiding
1. Bij besluit van 19 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de werknemer van verzoekster met ingang van 4 september 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend naar mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.1.
Bij besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft de zitting van 29 mei 2024 verdaagd na aanleiding van het verzoek van verweerder om de zaak aan te houden.
1.5.
Verweerder heeft op 12 september 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, daarbij alsnog het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard en bepaald dat de werknemer per 4 september 2023 een IVA-uitkering krijgt.
1.6.
Op 4 oktober 2024 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep, waaronder de kosten van een medisch adviseur.
1.7.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek. Verweerder heeft in reactie hierop bij brief van 8 oktober 2024 meegedeeld zich in principe niet te zullen verzetten niet tegen een veroordeling in de proceskosten, mits deze conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is. Volgens verweerder bestaat geen recht op vergoeding van de door verzoekster ingeschakelde deskundige.
Beoordeling
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2.1.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan haar is tegemoetgekomen. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding voor toewijzing van het verzoek om een proceskostenveroordeling.
Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
2.3.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster op grond van het Bpb een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 624,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. Namens verzoekster is een bezwaarschrift ingediend (1 punt). In beroep is namens verzoekster een beroepschrift ingediend (1 punt). Met toepassing van de wegingsfactor ‘gemiddeld’ bedraagt de vergoeding van deze proceskosten in totaal (€ 624,- x 1 x 1 en € 875,- x 1 x 1 =) € 1.499,-.
Kosten van de ingeschakelde deskundige
3. Volgens verweerder bestaat geen recht op vergoeding van de kosten van de medisch adviseur, omdat het rapport van de door verzoekster ingeschakelde deskundige niet heeft geleid tot de gewijzigde beslissing op bezwaar.
3.1.
De rechtbank overweegt hierover dat het niet van belang is of de gemaakte deskundigenkosten hebben geleid tot een wijziging van de beslissing op bezwaar. Uit vaste rechtspraak volgt dat de kosten van een deskundige op de voet van 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen, als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De maatstaf voor het toekennen van een vergoeding is of verzoekster ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor haar gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Daarbij moet sprake zijn van een verband tussen de ingeroepen deskundigheid en de specifieke vragen die in de beroepsprocedure aan de orde zijn.
3.2.
Omdat het geschil betrekking had op de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer van verzoekster, is de rechtbank van oordeel dat het inroepen van de medisch adviseur als deskundige door verzoekster redelijk is.
3.3.
De kosten van de medisch adviseur zijn aan te merken als kosten van een deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De medisch adviseur heeft drie rapportages opgesteld, waaraan in totaal 6,5 uur is besteed. Twee rapportages zijn opgesteld in 2023 en daaraan is in totaal 5 uur besteed. De derde rapportage is opgesteld in 2024 en daaraan is 1,5 uur besteed. De maatstaf voor vergoeding van de kosten van een deskundige wordt vastgesteld op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) geldt voor een opdracht die is gegeven in 2023 een tarief van ten hoogste € 142,75 per uur. Het tarief voor een in 2024 gegeven opdracht is ten hoogste € 154,50 per uur. Uit artikel 15 van het Bts volgt dat het tarief wordt verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting, in dit geval 21%.
3.4.
Gelet op het voorgaande is het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt
€ 945,50 exclusief BTW (5 x € 142,75 + 1,5 x € 154,50). Vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting van 21% komt in totaal een bedrag van € 1.144,06 aan deskundigenkosten voor vergoeding in aanmerking.
4. Het totaalbedrag aan door verweerder te vergoeden proceskosten is € 2.293,05 (€ 1.144,06 + € 1.149,-).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.293,06.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1354.