Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:23421
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,406 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20889
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Selbach), en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
Op 2 juli 2024 heeft verweerder alsnog een (afwijzend) besluit genomen op haar aanvraag.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.2 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.3 Dat is wat eiseres heeft gedaan.
3. Het beroep van eiseres is echter kennelijk niet-ontvankelijk. Eiseres wilde met haar beroep namelijk bereiken dat verweerder zou beslissen op haar aanvraag. Omdat verweerder dit inmiddels heeft gedaan, heeft eiseres geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over haar beroep. Het beroep is daarom, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
1. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit.4 Omdat dit besluit een besluit op de aanvraag is, verwijst de rechtbank het beroep naar verweerder om daar als bezwaar te worden behandeld.
Proceskostenveroordeling
5. Over de vergoeding van de proceskosten die eiseres vraagt overweegt de rechtbank het volgende. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank.
6. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, tweede lid, tweede zin, van de Awb, het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
7. De rechtbank heeft eiseres op 25 mei 2024 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiseres het griffierecht binnen twee weken moet betalen. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat de bezorging bij het kantoor van gemachtigde niet is gelukt en dat de brief op 29 mei 2024, om 11:20 uur, is bezorgd op een afleverpunt. De brief is niet afgehaald en op 14 juni 2024 retour bezorgd bij de rechtbank.
8. Eiseres heeft het griffierecht niet of niet tijdig betaald. Eiseres heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Dit betekent dat als er geen besluit was genomen op de aanvraag, en er dus nog procesbelang bestond bij het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag, er dan sprake was geweest van een niet-ontvankelijk beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dus geen aanleiding.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 2 juli 2024 verwijst de rechtbank naar verweerder om als bezwaarschrift te behandelen.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit, niet-ontvankelijk;
verwijst het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 2 juli 2024, door naar verweerder om verder als bezwaarschrift te behandelen.
4 Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5 Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb maakt dit mogelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 oktober 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.