Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23417
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,357 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50170
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar,
en
de Minister van Asiel en Migratie.
gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1975.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1
Ter zitting heeft de minister de zware grond 3c en de lichte grond 4a laten vallen.
3. Eiser betwist de zware grond 3b en de lichte grond 4c.
3.1
De rechtbank stelt vast dat de zware grond 3b feitelijk juist is. Eiser had zich mede gelet op de ongewenstverklaring bij binnenkomst in Nederland meteen moeten melden. Eiser was er, anders dan hij stelt, ook van op de hoogte dat hij illegaal in Nederland verbleef. Het besluit van 20 april 2022 is aan eiser in persoon uitgereikt en eiser heeft hiervoor getekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de zware grond 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd en dat deze grond samen met de niet betwiste grond 3h reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan. Eiser kan zijn nichtje om geld vragen om te kunnen vertrekken naar Roemenië. Eiser wil meewerken aan terugkeer naar Roemenië.
4.1
De rechtbank volgt eiser niet en overweegt dat de minister in de maatregel van bewaring genoegzaam heeft toegelicht dat en waarom een minder ver strekkende maatregel niet is geïndiceerd en ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij is verweerder ook voldoende gemotiveerd ingegaan op eisers stelling dat zijn moeder financieel van hem afhankelijk is. De minister heeft verder bij deze beoordeling terecht betrokken dat eiser afhankelijk is van derden en niet in staat is zelfstandig te vertrekken naar Roemenië. De rechtbank overweegt daarbij dat eiser met een kopie van zijn identiteitsbewijs niet zelfstandig kan terugkeren naar Roemenië. Het risico bij het opleggen van een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling is dusdanig groot dat een lichter middel niet opweegt tegen de kans dat eiser op andere gedachten komt en zich weer aan het toezicht onttrekt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot-Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
ECLI:EU:C:2022:858.