Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23414
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,203 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.24653 (beroep) en NL 24.24654 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingzaken en de voorzieningenrechter van 11 december 2024 in de zaken tussen
[eiser]
, geboren op [geboortedatum] 1994, van Georgische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 18 mei 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd omdat hij zich onrechtmatig in Nederland ophield. Hierbij is eiser aangezegd dat hij het grondgebied van de Europese Unie, de Economische Ruimte en Zwitserland binnen een termijn van vier weken moet verlaten en terugkeert naar het door eiser opgegeven land van herkomst, namelijk Georgië.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit. Ook heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, die ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.3.
Eiser heeft een onderbouwd verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit toe, zodat eiser in deze procedure is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
3. Eiser voert als eerste aan dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, omdat de vertrektermijn van vier weken te kort is voor hem. Op zitting is aan de gemachtigde om een nadere onderbouwing gevraagd, die hij niet heeft kunnen geven. Nu sprake is van een stelling en deze niet nader is onderbouwd, wordt deze beroepsgrond verworpen. Los van het feit dat eiser om verlenging van de vertrektermijn had kunnen vragen en dit niet gedaan heeft.
4. Als tweede voert eiser aan dat hij een formeel verblijfsrecht in Polen geniet, dus verweerder een terugkeerbesluit naar Polen had moeten opleggen en niet naar Georgië. Verweerder heeft hier voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit onderzoek naar gedaan en daardoor werd duidelijk dat de verblijfsaanvraag in Polen is afgewezen. Tijdens het gehoor heeft eiser daarop gezegd dat als hij niet in Polen mag zijn, hij snapt dat hij naar Georgië wordt teruggestuurd en zal teruggaan. Eiser heeft toen niet verklaard dat hij in bezwaar is gegaan of dat er een andere reden was om af te zien van het opleggen van het terugkeerbesluit. Op zitting heeft de gemachtigde verklaard dat dit komt omdat eiser toen in de war was, maar dit is niet nader onderbouwd. Als de rechtbank kijkt naar wat verweerder heeft gedaan dan hebben zij dat zorgvuldig gedaan, er was geen reden om af te zien van de oplegging van het terugkeerbesluit.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Met deze uitspraak is op het beroep van eiser beslist. Voor het treffen van de door eiser gevraagde voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding meer. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank,
in de zaak NL24.24653:
- verklaart het beroep ongegrond;
in de zaak NL24.24654:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.